Een leven lang verliefd op ’t Kuipke

Morgen start de 75ste editie van de Zesdaagse van Gent. Verzamelaar Eddy Verbust kwam als jochie al bij ’t Kuipke en mist geen zesdaagse. Renners slapen in zijn privémuseum.

Beelden van de Zesdaagse van Gent uit de collectie van verzamelaar Eddy Verbust.

Een papieren schatkamer komt direct tot leven als Eddy Verbust bladert door het vers van de pers gekomen magazine over de Gentse Zesdaagse. „Dit is mooi”, roept de Vlaamse wielerverzamelaar bij elke foto. „Kijk, een affiche uit mijn geboortejaar 1948. Hier sta ik zelf met Eddy Merckx. En dit is de oude wielerbaan van 1922. Met kleine potkacheltjes kregen ze die hoge hal nooit warm gestookt. ‘De Zesdaagse van Siberië’, noemden de renners het.” Dan valt zijn oog op een kleurenfoto van de uitverkochte hal in 2014. „Ja, dit is mijn Kuipke, fantastisch!”

Morgen lossen Eddy Merckx en Patrick Sercu in ’t Kuipke het startschot voor de 75ste editie van de Gentse Zesdaagse, na Berlijn de oudste ter wereld. Het is vijftig jaar geleden dat het Belgische koningskoppel er voor het eerst won. Elk detail uit de rijke historie is te zien op een prachtige tentoonstelling in het Gentse museum het Huis van Alijn. Van topsport tot volksfeest, van supporter tot kampioen. Zie hoe steil een bocht is met een hellingshoek van 52 graden. Kijk in een rennerscabine. Loop langs wanden met de zwarte, rode en blauwe lijnen van de piste vol affiches, foto’s en truien. Voor een groot deel uit de verzameling van Verbust. „Thuis heb ik nog veel meer.”

900 truien en meer dan 1000 affiches van profkoersen

De grootste privécollectie wielermateriaal ter wereld? „Op het gebied van baanwielrennen heb ik geen concurrentie. Ik heb zo’n negenhonderd truien en meer dan duizend affiches van profkoersen. Mijn schoonste stuk is de gele trui van Merckx, Molteni, getekend door Eddy. Zijn roze trui heb ik ook.” Als jochie joeg hij al op handtekeningen bij de ingang van ’t Kuipke. „Ik mocht eens de wielen dragen van Rik Van Looy. Heb ik drie weken mijn handen niet gewassen. Bij zijn auto kreeg ik een foto met handtekening.” Begin van een verzameling die uitgroeide tot een privémuseum thuis in Gent. „Ik ga in mijn museum slapen en ik sta er in op.”

Zijn liefde voor piste en pistiers gaat zover dat hij renners tijdens de Gentse Zesdaagse een slaapplaats biedt in zijn museum. „De eerste die bij mij woonde was Danny Clark, een slecht mens maar een goede wielrenner”, typeert Verbust de Australische crack, die tussen 1976 en 1994 liefst zeven keer won in ’t Kuipke. De afgelopen tien jaar is Kenny De Ketele zijn vaste gast, winnaar van ‘Gent’ in 2011 en 2014. „Thuis moet zijn moeder al vroeg naar het werk, hier maakt niemand hem ’s ochtends wakker. En ’s nachts bereidt mijn vrouw eten voor hem. Alle dagen cordon bleu, dat eet Kenny graag.”

Eten en drinken halen, ’s nachts de piespot legen

Als de dag van gisteren herinnert Verbust zich hoe hij in 1958 aan de hand van zijn vader naar ’t Kuipke wandelde voor zijn eerste Zesdaagse. „Op zondagavond was de koers om tien uur gedaan. ‘Best laat voor een manneke van tien’, hoorde ik. Maar ze lieten me binnen. Ik hield de hele tijd de balustrade vast op het middenterrein, week niet van mijn plek. Mijn vader stond aan de toog en wist waar zijn zoontje stond. Zag je die renners van nabij eens afstappen, verzorgd worden, een vers tricotje aan. Fascinerend.”

Voorbije tijden van zesdaagse-romantiek. „Ik heb meegemaakt dat ze koersten tot ’s morgens vroeg, er moest altijd een renner op de baan zijn. Ze reden langzaam rond, stuur gedraaid, voeten soms van de trappers. De hal stond blauw van de rook, mensen lagen beneveld te slapen op de tribune. Om één uur had je de middernachtsprint, om drie uur nog eens. Pas dan was het gedaan. Renners sliepen in de cabine of rond de piste, de pastoor kwam zondagochtend de mis doen. Van Looy, Rik Van Steenbergen, die hadden hun eigen mecanicien. Loopjongens moesten eten en drinken halen, ’s nachts de piespot legen. Zo ging dat.”

Beelden van de Zesdaagse van Gent uit de collectie van verzamelaar Eddy Verbust.

Een schok, als in de nacht van 11 november 1962 ’t Kuipke afbrandt. „Uw grote liefde valt in één keer weg, dat komt aan. Er waren velodrooms in Brussel en Antwerpen, maar daar kon je zonder auto niet naartoe. En de oude baan, uit 1936, was zo mooi. Slechts 160 meter lang, van die mooi rond oplopende bochten. Vandaar de naam Kuipke.”

Merckx wereldkampioen bij de amateurs

De heropening wordt een volksfeest. Merckx (20) is wereldkampioen bij de amateurs, de één jaar oudere Sercu olympisch en wereldkampioen op de baan. Maar een zesdaagse wonnen de ‘jonge goden’ nog nooit, het duo Peter Post en de Brit Tom Simpson is zwaar favoriet. „Sercu haalde als sprinter veel punten”, herinnert Verbust zich. „Post probeerde tot het laatst toe een ronde te pakken, Merckx en Sercu konden de kloof steeds dichten. ’t Kuipke ontplofte toen ze wonnen.”

Geen zesdaagse miste de Gentse verzamelaar sindsdien. Hij was in 2006 in de hal toen de Spaanse renner Isaac Galvèz na een val overleed. „Ik zag in het restaurant op tv dat ze langzaam reden. ‘Zware val’, wist ik en ik rende subiet de trap op. Daar lag hij. Ze hebben de zesdaagse stop gezet, een dag later ging ik mijn affiches halen. Toen heb ik geweend. Het pakte me. Ik kende die jongen goed. Een vriend van de piste verliezen, juist op mijn geliefde plek, in mijn tuin. Dat doet me nog altijd veel.”

Misschien schiet het morgenavond bij de start door zijn gedachten, al zijn er veel meer mooie herinneringen. „Ik ben met de zesdaagse geboren en zal er ook mee sterven.” Ooit reisde hij de hele winter langs de Europese wielerbanen. „Alle renners en verzorgers kenden d’n Eddy van Gent. Toen had je nog twintig zesdaagsen per jaar, nu zeven. Maar in ’t Kuipke hebben we een kennerspubliek en Patrick Sercu is de beste organisator. Voor de komende vijf jaar voorzie ik geen problemen.”