Oorlog voeren tegen extremisten heeft een prijs

Groot-Brittannië en Spanje kregen al eerder te maken met aanslagen, nadat ze een oorlog waren begonnen tegen islamitische extremisten. Is Frankrijk daarom nu doelwit?

Honderden mensen verzamelden zich zaterdagavond op Trafalgar Square in Londen om hun medeleven te betuigen aan de slachtoffers van de aanslagen in Parijs. Foto EPA

Geen westerse regeringsleider ontkomt er meer aan zich rekenschap te geven van de prijs die het kan hebben om mee te doen aan een oorlog tegen islamitische fundamentalisten in verre landen. Een van de daders van de aanslag op het Bataclan-theater riep volgens een ooggetuige dat hun daad verband hield met de Franse bombardementen in Syrië.  

Het is een patroon dat steeds duidelijker wordt in Europa, ook al ontkennen politici vaak dat het zo is: jihad-strijders zullen proberen landen die oorlog tegen hen en hun bondgenoten voeren te treffen met terroristische aanslagen.

Schuldigen achter aanslagen Madrid

Voor het eerst werd dat zichtbaar in Spanje in 2004. De toenmalige premier José Maria Aznar, die tegen de zin van de meeste Spanjaarden de inval van de Amerikanen en de Britten in Irak krachtig had gesteund, probeerde in eerste instantie de schuld van de aanslagen van 11 maart 2004 te geven aan de Baskische afscheidingsorganisatie ETA. Maar Al-Qaeda bleek er achter te zitten en Aznar verloor prompt de verkiezingen. Sindsdien heeft Spanje vermeden zich zo te profileren en dramatische nieuwe aanslagen zijn uitgebleven.

Ook de Britse premier Tony Blair en zijn opvolger Gordon Brown betaalden een prijs voor de steun aan de interventies in Afghanistan en vooral Irak. Op 7 juli 2005 kwamen 56 mensen in metrotreinen en een bus om bij vier zelfmoordaanslagen. Twee weken later volgden er mislukte aanslagen van hetzelfde type en in 2006 en 2007 volgden er meer verijdelde of mislukte aanslagen. Blair wilde niet publiekelijk erkennen dat er een verband tussen de Britse militaire interventies en aanslagen kon bestaan.

„Eén ding wil ik heel duidelijk maken”, aldus Blair eind juli 2005. „Welk excuus of welke rechtvaardiging deze mensen ook gebruiken, ik geloof niet dat we ook maar een duimbreed aan hen moeten toegeven. Niet in dit land en onze levenswijze hier, niet in Irak, niet in Afghanistan, niet in onze steun voor twee staten, Israël en Palestina, en niet in onze steun voor de bondgenootschappen die we kiezen, dat met Amerika incluis.”

Minder aanslagen in Groot-Brittannië 

Enkele maanden later dook een postume videoboodschap op van Sedique Khan, een van de plegers van de Londense aanslagen, waarin hij nadrukkelijk aangaf dat het een wraakexercitie betrof voor de „gruwelijkheden” die democratische regimes volgens hem begingen tegen moslims in de hele wereld.

Opmerkelijk is dat het aantal aanslagen in Groot-Brittannië sinds 2007 is afgenomen, zowel in hoeveelheid als in ernst. Dat correspondeerde met een afnemende betrokkenheid van de Britten bij buitenlandse militaire interventies. De Britten nemen niet deel aan de luchtbombardementen op Syrië, al doen ze – net als veel andere landen – wel mee aan de acties tegen Islamitische Staat in Irak.

Frankrijk daarentegen bewoog zich in tegenovergestelde richting. Hield het zich onder president Jacques Chirac – net als Duitsland – afzijdig van de oorlog in Irak, vooral onder president Hollande manifesteert het zich nadrukkelijker met interventies in de islamitische wereld. Eerst in Mali in 2013 en de laatste maanden ook in de strijd tegen IS. Niet alleen met bombardementen in Irak, maar ook in Syrië.

Anders dan Aznar en Blair doet Hollande geen pogingen het verband met terroristische activiteiten te ontkennen. Zaterdag zei hij openlijk dat de aanslagen „een daad van oorlog” vormen. En in een oorlog kan het, op allerlei fronten, ook in eigen land meedogenloos toegaan.