We zijn ons geloof kwijt – en de leegte is groot

Wat is in de plaats gekomen voor godsdienst? Populisme vult de leegte met angst voor de normen en waarden van vreemdelingen. Fundamentalisme claimt voor de ontstane leegte het alternatief te bieden. De politiek móet antwoorden, betoogt

Hans Schilderman

Illustratie hajo

Wilders’ woorden dat onze Tweede Kamer een nepparlement is, klinken nog na. Natuurlijk door het luide protest vanuit de volksvertegenwoordiging, maar vooral ook door de open zenuw die hij daarmee in de samenleving raakt. Het kiezersvolk is op drift en dreigt de band met gevestigde partijen kwijt te raken. Wat weinig onderkend wordt, is dat die problemen kunnen samenhangen met het betekenisverlies van godsdienst en levensovertuiging.

Op het eerste gezicht heeft de secularisatie van de Nederlandse samenleving weinig ingrijpende consequenties gehad. We zijn er kennelijk niet slechter door geworden en de ontzuiling kent nu eenmaal overduidelijke verworvenheden. Maar de teloorgang van godsdienst en levensovertuiging laat ook een leegte achter.

Levensovertuigingen bieden een cultuur voor verbetering van de geest. In maatschappelijk opzicht doen ze daarbij een beroep op een kader van waarden en normen, dat tegenwoordig – zo lijkt het – vaak wordt gemist. In peilingen door het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat op de schaal van nationaal probleembesef, vragen van burgers over waarden en normen met stip bovenaan staan – ver boven gangbare politieke issues als werkgelegenheid, sociaal stelsel of milieu.

Een politiek die normatieve zorgen niet serieus neemt of niet in staat blijkt om de morele angsten die het oproept te beteugelen, betaalt dit onvermogen met populisme en fundamentalisme. Terwijl populisme de leegte van verloren overtuigingen vult met morele angst voor de waarden en normen van vreemdelingen, kenmerkt fundamentalisme zich door morele overmoed in de claim dat zij voor de ontstane leegte het verplichte alternatief biedt.

Niemand kan de indruk ontgaan dat populisme en fundamentalisme reacties zijn op wat we de moderne samenleving noemen: een democratisch geleide rechtsstaat waarin culturele verschillen geaccepteerd en beschermd worden, waarin morele vrijheid heerst in keuze van leefstijlen, en waarin het gemeenschappelijk goed en zijn consensus worden beheerd door capabele en publiek controleerbare bestuurders.

Opkomend populisme en fundamentalisme vertegenwoordigen een volgende stap in wat Paul Scheffer het ‘multiculturele drama’ noemde: het verbergen van de sociale kwestie onder minderheden achter het ideaal van culturele integratie. Scheffers diagnose leidde destijds nauwelijks tot veranderingen in het overheidsbeleid, terwijl het drama getuige de asielzoekersproblematiek er alleen maar groter op wordt. Veranderingen in onze cultuur verdienen kennelijk weinig politieke aandacht.

Enerzijds blijkt een cultuurrelativisme onmiskenbaar: ‘hebben we niet vooral last van culturen?’ Anderzijds is er ook een misplaatst vertrouwen dat de sociale mechanismen van de samenleving wel voorzien in praktische oplossingen: ‘we komen er samen wel uit’. In zijn rapport Identificatie met Nederland constateert de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid dat de Nederlander zich steeds meer opstelt als wereldburger die zich steeds minder met het gedachtegoed van de natiestaat identificeert. Klaarblijkelijk zijn we bevrijde geesten die in elk cultureel klimaat moreel opbloeien zonder dat we daarvoor de krukken van godsdienst of levensovertuiging nodig hebben.

Bij deze verlossing van onze overtuigingen zijn echter vragen te stellen. Zo appelleert de confrontatie van geseculariseerde burgers met religieuze migranten wel degelijk aan het nationale volksgevoel, en blijkt religie daarbij steeds inzet van politieke discussie.

Tal van voorbeelden illustreren dat het vooral ‘religieuze incidenten’ zijn die aan het volksgevoel raken: de bedreigingen aan Salman Rushdie wegens de publicatie van zijn Satanic Verses, de cartoons van Mohammed in Deense dagbladen, de hoofddoekendiscussie in de Franse Republiek, de discussie over kruisbeelden in Duitse openbare scholen, de verwelkoming van vluchtelingen door de Duitse bondskanselier met een beroep op christelijke waarden, de anti-islam demonstraties van Pegida, de rechtszaken tegen Wilders vanwege vermeende religieuze discriminatie.

Het symbolisch karakter van dergelijke incidenten laat zien dat religie – ofschoon uit het midden van de samenleving verdwenen – aan open zenuwen van het volksgevoel raakt. Populisten zaaien inderdaad succesvol angst door allochtone religies liefst in het kader van fundamentalistisch terrorisme op te voeren, waardoor het contrast met het autochtone gebrek aan levensovertuigingen alleen maar groter wordt.

Hierbij is de fundamentalist overigens in het voordeel. Hij is de militante variant van de wereldburger die in religieuze snit de leegte van een Staat ohne Eigenschaften aan de orde stelt. Hoewel fundamentalisten zich in religieuze en missionaire termen omschrijven, vertegenwoordigen ze niet zo zeer een religie als wel een politieke strategie om iedere pluraliteit uit te schakelen. Opmerkelijk hierbij is dat populisme en fundamentalisme onderling juist overeenkomsten vertonen die bevestigen dat ze beide reacties vormen op de teloorgang van godsdienst en levensovertuiging.

Zo kenmerken beide trends zich door een hang naar het verleden, eenheidsconcepties van de samenleving, voorkeuren voor charismatisch leiderschap en een militante vorm van activisme. Beiden verenigen een conservatief verlangen naar de morele zekerheden uit vroeger tijden met een utopisch streven naar hervorming dat gestalte krijgt in vormen van agitatie en onvrede met de huidige tijd.

Zowel de secularisatie als de contrareacties daarop in populisme en fundamentalisme roepen de vraag op hoe het gesteld is met het veelgeprezen grondrecht van godsdienst en levensovertuiging.

Dit recht lijkt zich vooral tot een negatieve vrijheid te ontwikkelen: we zijn van onze levensoriëntatie verlost. Overtuigingen – in hun religieuze én seculiere varianten – bieden echter een noodzakelijk kader voor gezamenlijke motivaties, betrouwbare onderlinge verwachtingen en een oriëntatie voor onze omgeving. Wie meent dat de waarden en normen die dat mogelijk maken slechts een individuele zaak zijn, betaalt dat met een juridificering van onze samenleving, waarin we onderling vooral nog inter-acteren op grond van aansprakelijkheden, protocollen en schadeclaims.

Als het sociale kader van maatschappelijke overtuigingen desintegreert, wordt het levensontwerp tot een eenzame en stress opwekkende zaak. Morele angst – wat hebben we van elkaar immers nog te verwachten? – drijft mensen tot het soort populisme dat de ontstane culturele leegheid zo goed maskeert. En bovendien doet het dat onder het argument van haar tegendeel, namelijk het aanjagen van angst voor religieus fundamentalisme dat zichzelf nu juist als het exclusieve alternatief voor die leegheid presenteert.

Dergelijke cultuurpessimistische observaties zijn geen pleidooi voor hernieuwde confessionalisering, laat staan voor herzuiling. Van een overheid mag je immers niet verwachten dat zij de overtuigingen aanreikt die het sociale middenveld steeds minder biedt. Bovendien verbiedt het constitutionele beginsel van scheiding van kerk en staat dat de overheid zich met specifieke levensovertuigingen identificeert. Die scheiding is echter ook een raakvlak, waarbij politieke prioriteiten in het geding zijn om de zorgen van burgers over waarden en normen serieus te nemen.

De overheid zou in het publieke domein betere voorwaarden moeten scheppen om godsdiensten en levensovertuigingen hun sociale en morele functie te laten vervullen:

- Laat politieke discussies niet bepalen door de waan van de dag, maar ontleen argumenten aan onze levensbeschouwelijke tradities;

- Zorg voor een mediabeleid dat godsdiensten en levensovertuigingen informatief en niet suggestief in beeld brengt;

- Bied condities voor levensbeschouwelijk onderwijs waarin levensoriëntatie als een geaccepteerd ontwikkelingsdoel van socialisatie opgevat kan worden;

- Bevorder de aandacht voor levensidealen, zingeving en spiritualiteit in de gezondheidszorg door het beter borgen van professionele voorzieningen voor geestelijke verzorging.

Wanneer gaan we in Nederland nu eindelijk eens op een volwassen manier met levensovertuigingen om?