‘We konden twee dingen doen: emigreren óf actief worden’

Fleur Bakker (41) en Pepik Henneman (43) proberen in hun stolpboerderij de maatschappij te veranderen. „Al twee jaar woont een man uit Soedan bij ons. Hij ziet ons als familie. Zo voelt dat ook.”

Pepik: „Pepik is een Tsjechische naam. Mijn overgrootmoeder is naar Nederland gevlucht.” Foto David Galjaard

Auto’s in de fik

Fleur: „Kortgeleden was er een aanslag op de fractievoorzitter van GroenLinks hier in het dorp. Twee auto’s zijn in de fik gestoken. Een dag later was er een bewonersavond over vluchtelingopvang. Ik wilde er eerst niets zeggen, maar toen heb ik dat toch gedaan. Ik weet alleen niet meer wat. Ik was superzenuwachtig. Ik dacht: als het nu supernegatief wordt, dan pak ik mijn verhuisdozen.

Pepik: „Fleur had stelling genomen en gezegd: ik ben voor kleinschalige opvang. En by the way, dat gebeurt hier al.”

Fleur: „Ik vind het echt onzin als mensen zeggen dat de gemeente alles maar moet regelen. We kunnen veel zelf. Wij eten hier al zes jaar vier keer per jaar met vijftig vluchtelingen, maar er is hier nog nooit een auto in de fik gestoken. En bij ons woont ook al twee jaar doordeweeks iemand uit Soedan. Hij is hier terecht gekomen via een oproepje van iemand anders op een site over vluchtelingenopvang, die schreef dat hij behoefte had aan rust op het platteland. Het gaat allemaal heel goed en het is superleuk. Hij is zo’n fijn iemand.”

Pepik: „Als mensen in het dorp aan hem vragen: waar ga je heen? Dan zegt hij: naar mijn familie. En zo voelt het ook.”

Fleur: „Hij maakt fluitjes met de kinderen van pvc-buizen en doet heel veel in de tuin. De school is een jaar geleden dichtgegaan. Onze kinderen voetballen nu in een ander dorp. Ik denk dat vluchtelingen voor krimpgemeentes een kans zijn. Dat is ook onze boodschap.”

Nadenken over de maatschappij

Pepik: „Meneer De Leeuw, het bedrijf dat we samen zijn begonnen, is een werkplaats voor maatschappelijke verandering en innovatie.”

Fleur: „Pioniers uit de samenleving gaan in overleg met grote instituten die een andere richting moeten inslaan, maar niet goed weten hoe.”

Pepik: „We nodigen mensen uit met visie op een thema, zoals: ouder worden in Noord-Holland. Die koppelen we aan elkaar, en aan financiers of mensen die echt wat kunnen doen.”

Fleur: „En 24 uur later lopen ze de deur uit met een plan. We waren na de geboorte van ons derde kind in Praag. In een dronken bui hadden we bedacht dat we een sociale onderneming wilden beginnen die wel wat geld oplevert.”

Pepik: „De kerngedachte was om niet over, maar mét andere mensen na te denken over de maatschappij.”

Elektrische tandem

Fleur: „Om half acht fietst een van ons met de drie jongste kinderen op de elektrische tandem naar school in Purmerend, vijftien kilometer verderop.”

Pepik: „Dan kun je twintig kilometer per uur halen.”

Fleur: „Het is een heel zware fiets. Er zit ook honderd kilo kinderen op.

Pepik: „Zonder elektrische fiets kom je niet terug.”

Fleur: „Ik doe er vijftig minuten over, jij drie kwartier. Vaak hebben we een muziekje op de fiets. En dan vertelt Sebas welke mooie vogels hij allemaal ziet.”

Pepik: „Dan is Igor al naar zijn eigen school gefietst, acht kilometer verderop in Zaandam.”

Fleur: „Dan zijn we om negen uur terug als we met de auto zijn en met de fiets om half tien.”

Pepik: „En dan is oppas Michele meestal hier om voor kleine Pepik te zorgen, onze jongste zoon. Pepik is een Tsjechische naam. Mijn overgrootmoeder is naar Nederland gevlucht.”

In de ban van angst

Pepik: „Tien jaar geleden verhardde de sfeer in Nederland.”

Fleur: „Ik merkte het heel erg in in mijn omgeving, van mensen die ook met vluchtelingen werkten. Verdonk was daar echt een begrip. Het ging niet meer om humane opvang, maar om het wegregelen van een bepaalde groep.”

Pepik: „Het was de tijd dat we in de ban raakten van angst. Angst voor de aanzuigende werking, waar we nu ook bang voor zijn. We konden twee dingen doen: emigreren, óf actief worden.”

Eritrese kip

Fleur: „Zes jaar geleden zijn we begonnen met het koppelen van vluchtelingen aan Nederlandse gezinnen. We wilden vluchtelingen hun autonomie teruggeven. Gewoon door te beginnen met vragen: wat heb je nodig?

„Mannen zeiden: ik heb geen baan meer, ik zou het liefst met Nederlanders in aanraking komen. Vrouwen zeiden: ik ben gewoon benieuwd wat er in je keukenkastje staat. De eerste koppeling die we maakten was met ons eigen gezin.

„Pepik is ingenieur dus die had ik gekoppeld aan Salaam, die was ingenieur in Bagdad. Uiteindelijk heeft Salaam via die weg werk kunnen vinden. Nu is er een netwerk van ongeveer 150 mensen. Een keer in het jaar komen we samen en is het een soort grote familiedag.”

Pepik: „We hebben hier weleens tachtig mensen te eten gehad.”

Fleur: „Dan maakt iedereen wat lekkers, dat is altijd een waanzinnig buffet met haring, appeltaart en Eritrese kip.”