Verhuizen naar Europa

De vele mensen die op weg gaan naar Europa hebben vaak een duidelijke reden om te vertrekken. Maar wat stellen ze zich voor in Europa aan te treffen? „Een land dat ons wil en waar wij ons thuis voelen.” Over hoop en teleurstelling.

Achtergebleven spullen van migranten: zwemvesten, een notitieboek en een zwemband op een strand op het Griekse eiland Lesbos;schoenen bij een grensdorp in Hongarije. Foto’s Petr David Josek/ AP Photo; Santi Palacios/ AP Photo; Yannis Behrakis/ Reuters; Rene Gomolj- AFP Photo

De aankomst/euforie Samos

Hun verleden hebben ze als een oude huid afgestroopt en achtergelaten op de kust van Europa. Schoenen en slippers, gescheurde tassen, winterjassen, een speelgoedgietertje, potjes hair wax, make-upspullen, een volle strip met Jusprin aspirines en overal de oranje zwemvesten, waarop keurig gedrukt staat dat ze niet helpen tegen het verdrinken. 

Op het Griekse eiland Samos begint de toekomst van de landverhuizers. Twee, drie uur varen van het Turkse vasteland. Smokkelaars vragen 1.000 tot 1.200 euro per persoon voor de overtocht. In opblaasboten met halflege accu’s stouwen ze ’s nachts veertig of vijftig mensen. Als het Griekse eiland in zicht komt, stappen zijzelf gauw over op een volgboot en keren om. Soms moeten de vluchtelingen dan nog uren roeien en hozen.

Zo arriveren er dagelijks honderden migranten, op Samos, op Lesbos, Kos, Chios en andere eilanden. Op foto’s zie je ze door de knieën gaan. Uitputting na de woeste oversteek, opluchting dat ze die hebben overleefd, euforie dat ze het beloofde land hebben bereikt.

Maar hebben ze in het beloofde land dan geen winterjassen nodig? Geen schoenen, of aspirines? Als we het aan het Syrische echtpaar Ahmed en Adnan vragen, zeggen ze: „We zijn nu in Europa. We zijn veilig. Het moeilijkste is achter de rug.”

Is het moeilijkste werkelijk achter de rug op het kiezelstrand van Samos? Is dat niet te rooskleurig? Wat stellen de landverhuizers zich eigenlijk voor bij Europa en wat hen daar te wachten staat? Wij keken bij enkele haltes in de lange weg naar hun eindbestemming. Op het eiland Samos, aan weerszijden van de Grieks-Macedonische grens en in Beieren spraken we met tientallen migranten. Uit Bangladesh, Afghanistan, Congo, maar vooral uit Syrië. Veel meer mannen dan vrouwen, en overwegend twintigers.

De veerbootmaatschappijen staken als wij aankomen en dat betekent dat de doorvoer naar Athene een paar dagen stokt. Het oude asielzoekerscentrum boven Samos-Stad loopt zo vol dat de mensen er niet alleen op, maar ook onder de bedden moeten slapen. Over het paadje tussen de supermarkt en de opvang wandelt een stoet van wereldburgers. Hier ontmoeten we een vrijwel tandeloze familie uit Iran, twee verlegen studenten uit Bangladesh, twee Afghanen, van wie de een direct zijn T-shirt optilt om een grof gehechte steekwond te laten zien.

We spreken een kapper uit Congo, die zijn beroep in Duitsland hoopt op te vatten. Zijn vrouw tilt haar rok op om gehurkt in het gras te plassen, altijd liever dan de smerige wc in de opvang. Twee broers, de een handwerksman, de ander werkzaam op het gemeentehuis, komen uit het Pooldistrict in het zuiden van Congo-Brazzaville, dat volgens hen wordt achtergesteld bij het noorden. „Er is daar geen geluk te vinden. En ook geen werk.” De Afrikanen zouden, met hun perfecte beheersing van het Frans, graag in Frankrijk werk zoeken, maar erop rekenen is zinloos. „God zal ons leiden.”

Hoe lang tevoren zij hun reis hebben gepland? Ze proberen al járen een visum te bemachtigen. De oorlog in Syrië – de jongste broer grijnst een beetje als hem ernaar wordt gevraagd – bood eindelijk de gelegenheid om de kans te wagen. Europa staat nu open voor álle vluchtelingen, denken ze.

Deze dag zullen nog eens 1.500 migranten Samos bereiken – de schatting komt van Alkisti Mavraki die in de haven als „eerste-ontvangst expert” voor VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR werkt. Sinds juli is ze in touw en het wordt niet beter, het wordt erger. „Iedereen dacht dat de aantallen omlaag zouden gaan na de zomer. Maar ze gaan juist omhoog.”

In het havengebouw is een screeningscentrum ingericht, waar de eerste ruwe schifting plaatsvindt. Zo komen de kansarme kansarmen terecht in het overvolle oude azc: grof gezegd iedereen die niet uit Syrië komt en dus wel het recht heeft om asiel aan te vragen, maar feitelijk geen kans maakt om als vluchteling te worden erkend.

Het havenplein is de plaats voor de kansrijken, de Syriërs. Een boot van de kustwacht heeft net een nieuwe groep aan de kade gezet. Hun reddingsvesten worden verzameld in een vrachtauto. Als de chauffeur even niet oplet, klauteren jochies op de laadbak en gooien de vesten naar hun vriendjes tot ze eraf worden gejaagd.

Hier zitten, liggen, staan en lopen honderden Syriërs, maar ook – volgens sommige Syriërs – Egyptenaren, Saoedi’s en Albanezen die zich als Syriërs voordoen. Die vallen snel door de mand, zegt Mavraki. De landverhuizers zitten in tientallen kleine iglotentjes die hulporganisaties uitdelen. Er zijn intussen ook twintig complete prefabwoningen van Ikea aangekomen, maar nergens is meer ruimte om ze op te zetten.

De Syriërs op dit plein zijn misschien wel kansrijk in de asielprocedure, maar het is de vraag hoe kansrijk ze in Europa zijn. Ze spreken geen woord over de grens, ze hebben geen geld meer en zijn volkomen afhankelijk van hulpverlening. Nee, dan Anass die tussen de gezinnen door flaneert als een toerist, met zijn Ray Ban-zonnebril. Of hij op het plein slaapt? No way, zegt hij. „Ik kom uit Damascus.” Hij logeert in een hotel aan de boulevard en is hier alleen om zich te melden voor de screening. Op zijn hand is met viltstift het nummer 101 gezet, hij is bijna aan de beurt.

We ontmoeten Ahmed als hij over de boulevard van Samos-Stad op en neer loopt met een telefoon aan zijn oor. „Ik kan meteen beginnen”, zegt hij in het Engels. „Ik spreek goed Engels.” Hij is even stil. „Drie dagen, misschien vijf.”

Als hij ophangt, vragen we hem wie hij belde. Een hotel verderop in de bergen. Iemand had hem verteld dat ze daar een baantje zouden hebben. Ahmed hoefde er geen geld voor, alleen logies en eten voor hem en zijn vrouw. Maar de eigenaar zoekt iemand die ten minste twee weken kan werken.

Ahmed en Adnan logeren in het Samos Hotel, voor 50 euro per nacht. Een paleis, vinden ze, en ze begrijpen niet dat Europa zó goedkoop is. Toch hakt het er wel in, natuurlijk. „We hadden 700 euro toen we aan land kwamen, nu is er nog 50 van over.”

Net als Anass behoren Ahmed en Adnan tot de categorie kansrijke kansrijken. Ze studeerden allebei Engels in Damascus en gaven er tot voor kort privéles. Ze dragen elegante mutsjes. Hij is goed geschoren, zij heeft haar wenkbrauwen geëpileerd. De afstand tot de Syrische menigte op het havenplein is eindeloos. „Zij zijn arm, niet opgeleid en ze gedragen zich als dieren, ze molesteren vrouwen”, zegt Ahmed. „Ik denk niet dat ze doorhebben hoe groot het risico is dat ze worden teruggestuurd”, zegt Adnan.

De Libanese nationaliteit van zijn moeder gaf Ahmed in dat land het recht op een verblijfsvergunning voor drie jaar. Maar hij is ooit in Beiroet in elkaar geslagen door types van god weet welke sekte en wilde er niet wonen. Hij zoekt naar „een land dat ons wil en waar wij ons thuis voelen”. Adnan wilde niet weg. „Ik geloof altijd dat dingen beter worden”, zegt ze. „Ahmed heeft me overgehaald om te vertrekken.”

Ahmed: „Mijn hele leven probeer ik al geen partij te kiezen. Ik zit niet in een kamp, ik hoor niet bij een groep. Ik heb mijn hele leven geprobeerd burger te zijn. Maar op dit moment kun je geen burger zijn in Syrië. Je kunt niet neutraal zijn.”

Waarom zijn ze niet in Turkije gebleven? Dat land is toch veilig? Nee, zegt Ahmed. In het hele Midden-Oosten heerst vijandschap, godsdiensttwist en geen vrede. „This whole area is doomed.”

Voor hun oversteek, georganiseerd door de maffia, zegt Ahmed („geen namen, geen telefoonnummers, alles gaat via een vriend van een vriend die iemand kent”) viel hun op dat de Turkse autoriteiten de mensensmokkelaars hun gang laten gaan. „Op de boulevard van Izmir lopen honderden mensen rond met knaloranje reddingsvesten in hun rugzak en vier tassen aan hun arm. De politie passeert je zonder op te kijken.’’

Op deze zonnige namiddag is er weer ruimte om te twijfelen: tussen Zweden, Denemarken en Nederland. De Balkanlanden Macedonië, Servië en Kroatië komen als bestemming niet in hen op. „Ik heb geen moment gedacht: daar moet ik heen.” Nederland maakt een goede kans. „Ze geven je er een toelage en het onderwijs is van hoge kwaliteit.” Het enige wat Adnan dwarszit aan Nederland: de drugs. Is ze bang dat ze straks kinderen krijgt en dat die van alles gaan roken, spuiten of slikken? Ze knikt niet erg overtuigend – kinderen zijn nog ver weg. „Ze is bang dat ik ze straks ga gebruiken”, zegt Ahmed met een grijns.

Hoe komen ze aan dit soort kennis? Facebookgroepen, Ahmeds moeder die vanuit huis hun vlucht volgt en informatie stuurt, medemigranten onderweg.

Hij droomt van een huis om samen een baby te krijgen. „Ik wil in waardigheid leven.” Zij wil haar mastergraad halen en een baan vinden, maar bij elke zin die ze uitspreekt, twijfelt ze. Wil ze wel vluchten? „Ik mis mijn familie.”

De doortocht/ ontnuchtering Eidomeni/Gevgelija

Een spoor van vuilnis leidt ons naar het doorgangskamp in Eidomeni, bij de Macedonische grens. Het is of de velden van plastic in bloei staan, aan elke halm wappert een zakje of een fles. Het kamp, een verzameling containers en tenten, is leeg, de aanvoer is door de botenstaking stil komen te liggen en de hulpverleners rusten een paar dagen uit.

Christian Wilbers van de Noorse hulporganisatie Save the Children wijst naar het „meest gefotografeerde object van Eidomeni”: een whiteboard met daarop de onvoorstelbare aantallen van mensen die hier per dag doorheen zijn gekomen sinds 20 september. Die dag waren het 5.869 migranten. De 23ste kwamen er 7.552 af en toe zakt de teller naar ergens in de drie- of de vierduizend. Maar meestal is het vijf- of zesduizend. Onder het record staat een kringeltje: 10.490, op 23 oktober.

Save the Children bekommert zich om de alleenstaande minderjarigen die Europa proberen te bereiken. Het zijn meestal jongens, meestal uit Afghanistan en hun aantal groeit, zegt Wilbers. „Door de dood of verdwijning van hun vaders zijn ze gezinshoofd geworden en daarmee lopen ze meer gevaar dan als kind.”

Dat kan een rol spelen, maar er is nog een verklaring: kinderen hebben minder beperkingen in het Europese asielbeleid. Zij worden bijvoorbeeld niet teruggestuurd naar Italië als dat hun eerste land van aankomst is. Italië heeft onvoldoende voorzieningen voor minderjarige asielzoekers. Als zij eenmaal zijn erkend als vluchteling, kunnen ze de rest van het gezin laten overkomen – de kinderen als vooruitgeschoven post van de familie.

De volgende dag zien we drie Syrische jongens uit een busje stappen in het kamp. Ze zijn vanuit Samos naar Thessaloniki gevlogen en hebben daar een taxi genomen. „Geld genoeg”, verklaart de jongen met het parelende gebit en het Eastpak-rugzakje. Zijn vader is ingenieur, zijn moeder tandarts. „Mijn ouders zijn technically safe in Damascus.” Hij studeerde lucht- en ruimtevaartwetenschappen in Aleppo, maar door de bombardementen is de faculteit gesloten. Hij hoopt verder te kunnen studeren in de Verenigde Staten.

Hij heeft nooit eerder hardop Engels gesproken, maar het komt foutloos over zijn lippen. Veel actiefilms kijken, zegt hij. De nieuwste James Bond Spectre heeft hij nog niet gezien. „Die was nog niet uit in Syrië toen ik vertrok.”

Nu komt om de tien minuten een nieuwe bus aan uit Thessaloniki, binnen twee uur staat er een rij van twaalf op de veldweg. De vrijwilligers van de christelijk evangelische kerk staan klaar met thee, limonade en zakjes met brood, cake, bananen en lotusvruchten. De Spaanse Clowns Zonder Grenzen zetten hun rode dopneus op en lopen met uitgestrekte armen op de kinderen af. Zelfs de ogen van de uitgeputte ouders lichten even op.

In de flessenhals die Eidomeni is, de enige toegang over land van Griekenland naar Europa, komt de hele wereld eventjes bijeen in verschillende rollen. Uit Azië en Afrika de Grande Armée van landverhuizers. Uit Griekenland de vrijwilligers en de handelaartjes die hun hotdogkar buiten het hek hebben geparkeerd. Uit het westen, van Noorwegen tot Canada, de artsen en andere hulporganisaties.

Een man uit Mosul, Irak, duwt een rolstoel met zijn 71-jarige moeder door de rij. Ze komen uit het kalifaat, maar zijn niet gevlucht voor IS. Hij heeft zich laten overhalen door zijn moeder. „Mijn vader heeft haar verlaten voor een andere vrouw”, zegt hij. „Er was voor haar niets meer om voor te blijven.” Voor de oversteek hebben Turkse smokkelaars haar eigen rolstoel weggegooid, die kon niet mee in de rubberboot. Aan de overkant moest ze een nieuwe kopen.

Hun antwoord op de vraag wat ze zo ver van hun eigen land hopen te vinden, luidt net als dat van de andere landverhuizers in samenvatting: vrede, veiligheid, werk en geld.

Uit de derde bus die wij die ochtend zien aankomen, stappen zowaar Ahmed en Adnan. Ze staan te luisteren naar de tolk die met een briefje zwaait met daarop het nummer 501 – hun groep. Zo ontspannen als ze op Samos waren, zo getergd zijn Ahmed en Adnan nu. Ze zijn zich scherp bewust van de voorrechten die hun Syrische nationaliteit meebrengt. Irritant dat er zoveel gelukszoekers tegelijk met hen Europa binnen proberen te komen, vinden ze. „Wij konden het beter hebben als zij er niet waren, dan hoefden we niet overal lang te wachten.”

De laatste dag op Samos heeft Ahmeds moeder nog 200 euro getelegrafeerd. Op de markt hebben ze Adnan’s ring en oorbellen verkocht. „We dachten dat ze 150 euro zouden opleveren, we kregen er 85 voor.”

Hier begint de ontnuchtering, had Christian Wilbers ons gezegd. Hier worden de hoopvolle verhalen die mensen elkaar op Samos vertelden, vervangen door informatie over de wachttijden voor de trein, hoeveel landen ze nog te gaan hebben voor ze in Duitsland zijn, en dat Duitsland ook in zijn voegen begint te kraken en ze weken, maanden opgepakt in asielopvang zullen wonen.

Adnan had zich op Samos nog vrolijk gemaakt over brutale Irakezen die ze onderling hoorde vertellen dat zij meteen 6.000 dollar zouden krijgen bij aankomst in Duitsland. Maar nu blijken ook Ahmed’s en haar realistischer verwachtingen nog te rooskleurig te zijn geweest.

Ze steken en groupe over naar Gevgelija, Macedonië. We zien van een afstand hoe Ahmed eventjes de leiding neemt en de groep toespreekt. Aan de overkant van de Paardenrivier wachten taxi’s die voor een ritje van 1 euro nu 10 vragen, bussen en de trein naar de Servische grens. Een Afghaanse familie stapt met zijn achten in de taxi: 400 euro tot aan de volgende grens.

Op het station van Gevgelija staat een trein vol dof kijkende mannen, hier en daar ook een kind en misschien drie vrouwen. De wagons worden omgeven door verkopers van cola, chips, water en simkaarten. Twee Congolese jongens hangen uit het raam. De een wil voetballer worden, als het kan in het land van Patrick Kluivert, anders bij AS Monaco. De andere kan ‘alles’, zegt hij. Om geld voor de oversteek te verdienen heeft hij maandenlang in Turkije gewerkt. Slavenarbeid.

Alles wat we tot nog toe hebben gehoord laat zien dat het onderscheid tussen ‘echte vluchtelingen’ en ‘gelukszoekers’, een onderscheid is dat alleen in de asielprocedure en in het hectische Europese migrantendebat betekenis heeft. Iedereen in de eindeloze colonne die vanuit Griekenland binnenmarcheert, komt in het westen geluk zoeken. Voor sommigen zijn de bommen op Syrië een reden om te vluchten, voor anderen een voorwendsel. De poorten van Europa zijn geopend en overal in de wereld is het knarsen van de scharnieren gehoord.

Being there/desillusie München

Voor de gymzaal van de Realschule staat een zwierige Syriër een dunne sigaar te roken. Hij zit nu twintig dagen in dit provisorische opvangcentrum in het Duitse Simbach am Inn, samen met zeventig Albanezen, Iraniërs, Afghanen en Nigerianen. „Zij is mijn beste vriendin”, zegt hij met een knipoog naar de paarsharige beveiligingsbeambte die langsloopt, Sicherheitsdienst staat op haar T-shirt.

Hij is 25 en komt uit Deir ez-Zor, een kapotgeschoten stad aan de rand van Irak. Deels bezet door IS, deels – alleen nog de militaire vliegbasis – door regeringstroepen. Zijn vrouw en zoon van elf maanden wonen nog in het kalifaat. „Als ze geen niqaab met gezichtsbedekking draagt, krijgt ze stokslagen. Als ik daar op straat een sigaar zou opsteken, moest ik voor straf een tunnel naar het vliegveld graven.” Maar, zegt hij, als je je aan de regels houdt, kun je best leven onder Da’esh (de Syrische benaming van IS). De kinderen, ook de meisjes, gaan naar school. De winkels zijn open. Hij kon er nog Engelse les geven. Alleen wil hij in vrijheid leven. „Da’esh is agressief, ik ben bang voor ze. Je kent ze. They love death.”

Hij laat op het kalendertje op zijn telefoon zien wanneer zijn vrouw en zoontje naar Duitsland kunnen komen: mei volgend jaar. Diezelfde dag laat bondskanselier Merkel weten dat Syrische vluchtelingen twee jaar moeten wachten op gezinshereniging.

Voor het station van München, tussen de skinheads en de alcoholisten, staat de familie met de groene ogen. Ze komen uit Afghanistan, district 11, Kabul. De moeder zit met haar hoofd in haar handen op de tassen en kauwt aspirines. Ze is, zegt haar man, in shock geraakt tijdens de oversteek naar Griekenland toen hun boot scheurde. Hun drie kinderen hebben nachtmerries.

Wij stellen vragen, zoals we dat steeds deden. Waar ze slapen?

„Hier, op de grond”, zegt de moeder, die in een operadiva verandert. Ze wijst in een furieus gebaar met tien gelakte nagels naar de stoep. „Bedden en dekens zijn voorbehouden aan de Syriërs. We zijn vijftig dagen onderweg en ik heb nog geen nacht geslapen.”

Waarom ze gevlucht zijn? „Ik heb geweigerd de Talibaan te helpen”, zegt de vader. Hij had een transportbedrijf en moest zijn bus ter beschikking stellen om gevangen strijders over te plaatsen. „Mijn chauffeur moest de bus rijdend laten kantelen, zodat de bewakers ze niet meer in het oog hadden. Misschien zouden er vijftig strijders bij omkomen, maar dat maakt de Talibaan niet uit, als er maar vijf blijven leven, dan kunnen die weer voor duizend vechten.”

Waar ze heen gaan? „Naar Utrecht”, zegt hij. „Ik kan autorijden, ik kan administratief werk doen. Ik heb rechten en politieke wetenschappen gestudeerd. Ik zou het liefst rechter willen worden.”

Dan gebeurt wat deze hele reis telkens gebeurt: op enig moment zijn wij het die de vragen krijgen. Hoe erg is het dat zij hun paspoort tijdens de overtocht zijn verloren? En dat zijn neef zijn vingerafdrukken al in Duitsland heeft laten registreren? „Ik vind het hier te druk.”

Ze willen horen dat hun droom gauw uitkomt. En ze knikken zwijgend bij elke kanttekening die we plaatsen. Afghanen maken geen schijn van kans op asiel, had UNHCR-medewerkster Alkisti Mavraki op Samos tegen ons gezegd.

Een reusachtige Duitse dakloze dringt zich even tussen ons in. Zijn ene hand steekt in een verband, met de andere draagt hij een infuuspomp. Of iemand een sigaretje heeft. De familie met de groene ogen deinst achteruit.

Onderweg zijn we maar enkele migranten tegen gekomen die niet naar Duitsland, Nederland of Scandinavië willen. Daar zullen ze, zeggen ze, gerespecteerd worden, welkom geheten. De procedures zullen er razendsnel zijn. Ruwe behandelingen zoals op de Balkan, zullen daar niet voorkomen

Die nacht belt Ahmed. Woedend. Ze zitten, zegt hij, in het Beierse Passau. Vier dagen hebben ze met de trein gereisd. Staand. „We konden niet eens hurken, zo vol was het.” De wc’s waren niet te gebruiken. In Oostenrijk moesten ze een paar uur wachten in een kamp. „Met bewakers erbij, we mochten er niet uit. Er was geen wifi. Je kunt zeven sigaretten kopen voor tien euro. Mensen beginnen elkaar te beroven.”

In het Duitse Passau hebben alle migranten een flyer gekregen van de gemeente (onder het logo Passau verbindet), waarin staat dat ze hier worden geregistreerd en dan dus niet meer verder mogen reizen naar een ander Europees land. Poef, daar vervliegt Ahmed’s droom van Nederland. De tekst eindigt met: „You can trust the Police in Germany!”

„Ik ben tot nog toe geduldig gebleven”, zegt Ahmed. „Ik heb steeds gezegd dat de mensen zo aardig voor ons zijn. Maar hier worden we als misdadigers behandeld. Oostenrijk is erger dan Servië. En ik heb het alleen kunnen volhouden deze reis omdat ik dacht dat het in Duitsland beter zou zijn. Maar dat is niet zo. Het is een gevangenis.”