Tot bloedens toe schrijven

Hoogleraarsechtpaar Esther Jansma en Wiljan van den Akker schreef als Julian Winter een roman. Ze rekenen af met de wetenschap, religie, kunst en dé kunstenaar. Let op, zegt hij: „Dit gaat ze schrappen.”

Esther Jansma enWiljan van den Akker schrijven samen onder de naam Julian Winter. „Een roman schrijf je zonder voetnoten. Je kunt keihard gaan rennen en dan zie je wel waar je uitkomt.”

Twee hoogleraren, allebei dichter en samen een echtpaar schreven een roman, De Messias. „Een roman ja, een spannende roman misschien, maar géén thriller.” Een van de twee is hoogleraar moderne letterkunde, hij weet dat soort dingen. Na wat husselen met de letters van hun voor en achternamen – Wiljan van den Akker en Esther Jansma – ontstond hun schrijversnaam: Julian Winter. Maar maak nou niet de fout hen te vergelijken met schrijver Nicci French, het pseudoniem waarachter ook een echtpaar schuilgaat. „Nicci French schrijft thrillers, literaire misschien, maar geen romans.”

Ze lunchen het liefste gewoon thuis, in hun ruime benedenwoning in een stokoud pand in hartje Utrecht. Op de grote tafel in de woonkamer staan borden, glazen en schaaltjes met kaas, vleeswaren en bolletjes. Esther Jansma (56) overhandigt – op verzoek – het bonnetje van de Albert Heijn. „Nog geen vijftien euro, met de bonus eraf.” Zij zitten ieder op een eigen bank, hij rechts, zij tegenover mij. „Broodje?”, vraagt ze als ze ziet dat het niet lukt om op te schrijven wat ze zeggen én een broodje te smeren. Ze belegt er eentje met paté, doet er tomaatjes op en zet die voor me op tafel. „We hebben er van tevoren over nagedacht...” zegt Wiljan van den Akker (60). „Hoe jij moet bijhouden wie van ons wat zegt”, vult zij aan. Ze hebben besloten dat het niets uitmaakt. „Alles wat we zeggen, zeggen we als Julian Winter.” Zo eenstemmig zijn ze anders niet, blijkt de komende uren. Hij is iemand van de maat en de melodie. Zij gooit er contrasterende noten tussendoor, schril en schitterend.

De Messias is de naam van een peperdure viool uit 1716. Het is het meesterstuk van de beroemde vioolbouwer Stradivarius, althans, dat wordt gezegd. In de roman onderzoekt een wetenschapper het hout van het vioolblad opnieuw. Die wetenschapper is, net als Esther Jansma, dendrochronoloog. Zij analyseert de jaarringen in het hout en kan dan vaststellen wanneer de boom is gekapt. In het boek blijkt dat de viool – die trouwens echt bestaat – een duister verleden heeft.

In het boek, zegt hij, rekenen we af met zo’n beetje alle geloofssystemen. Te beginnen met de wetenschap. Om bij de viool te blijven: „Ik neem een oud kastje. Dat laat ik dateren: het hout is uit 1671. Van dat hout maak ik een viool. Een knappe kopie van een Stradivarius. Vervolgens laat ik hem onderzoeken door iemand als Esther. Ja hoor, zegt de wetenschapper, het hout is uit 1671 en van dezelfde soort als Stradivarius gebruikte. De viool wordt authentiek verklaard en is in één klap miljoenen waard.” Zij: „Wetenschappers denken dat meten weten is. Maar dat is onzin.” Hij: „Als je denkt de objectieve waarheid te kennen, moet je even op je kop krabben en nog een keer nadenken. Dat zei mijn vader altijd.”

Met religie maken ze korte metten. Of eigelijk met alle voorschriften van welke overtuiging dan ook. Zij: „Ik kom uit een communistisch gezin. Bij ons thuis werd het individu beknot ten bate van het grotere ideaal.” Om te schuilen voor haar moeders dogma’s – haar vader overleed toen ze zes was – schreef Esther Jansma als tienermeisje al gedichten. „In het dichten maakte ik kleine kamertjes waar ik mezelf kon zijn.” Dan de kunstwereld, die komt er in De Messias niet genadig af. Een wereld bevolkt door criminele mecenassen, frauderende connaisseurs en zwendelende vaklui. Hij: „Kijk eens op de site herkomstgezocht.nl, waarop kunst staat die door de Nazi’s is gestolen en waar de oorspronkelijke eigenaren zich kunnen melden. Staat niet één strijkinstrument tussen. Terwijl, als je weet hoeveel joodse orkestleden zijn vermoord..., er moeten violen gejat zijn bij het leven. Waar zijn die gebleven? De handel in oude muziekinstrumenten is bijzonder lucratief.” Ook met kunstenaars maakt Julian Winter korte metten, althans met het idee van ‘het grote genie’. Zij: „Stradivarius maakte echt niet tot zijn negentigste alle violen zelf. Dat liet hij zijn zoons doen. Alleen verbood hij ze hun werk te signeren met hun eigen naam.”

Kijk mij eens

Zij springt op van haar bank en ijsbeert door de kamer. „Kunstenaars”, zegt ze. „Mijn jeugd is erdoor vergald. We hadden geen cent, maar wel die houding van kijk mij eens kunstenaar zijn. Daar koop je dus niks voor.” Maar, zeg ik, zij is toch dichter? Nooit, zegt zij, nooit zal je haar horen zeggen: „ik ben dichter”. „Yuk, braak.” Maar wie gedichten bundelt en uitgeeft, lijkt toch behoorlijk op een dichter?, zeg ik. „Ik ben dochter van een beeldhouwer. Voor mij is het logisch dat wat je maakt op een sokkel komt te staan en wordt verkocht. Maar ik heb ervoor gezorgd dat ik, naast het dichten, nóg een beroep had.”

Maar al die cultuurkritiek in De Messias , zeg ik, slaat die niet stiekem ook op henzelf? Zij zijn toch wetenschappers? Houden vast van literatuur en, aan hun interieur te zien, ook van kunst? Zij gaan ook naar het Concertgebouw, verkeren in kringen met gelijkgestemden. Hij begint te zeggen dat ze „natuurlijk ook zichzelf op de hak nemen” en dat ze het allebei leuk vinden om „de boel op te stoken” tot zij in woede ontsteekt. „Ik verzet me tegen de suggestie dat wij ons in de hoogste kringen begeven. Ja, ik ben hoogleraar, één dag in de week. In toga-optochten loop ik achteraan. Als het gaat om de vrouwenquota word ik maximaal meegeteld, maar qua beloning bungel ik onderaan. Ik hou van mijn vak, daarom bekleed ik deze positie graag. Maar in materiële zin levert het me niks op.”

Nieuwe hobby

Nog maar een broodje. Nu smeert híj er één voor mij. Vijftien jaar geleden leerden ze elkaar kennen, ze zaten allebei in de jury van de P.C Hooftprijs. Hij was voorzitter. „Ik ken het geintje, je draait als voorzitter altijd op voor het schrijven van het juryrapport.” Dit keer ging het anders. Hij: „Esther stuurde me een opzetje voor het rapport. Dit en dit, schreef ze, moest erin.” Samen schreven ze, over en weer via de mail, waarom Eva Gerlach dat jaar de prijs moest winnen. Ze hadden elkaar nog niet in levende lijve ontmoet. Dat kwam later. Hij was gescheiden, twee volwassen kinderen, een nakomertje. Zij was ook gescheiden, haar kinderen waren 1 en 3. Ze verloor eerder een dochter en een zoon. Hij: „Haar kinderen zijn onze kinderen.”

Zij: „Voor we aan De Messias begonnen hebben we de kinderen om toestemming gevraagd.” Hij, met een geknepen stem: „Pappie en mammie hebben een nieuwe hobby....” Zij: „Ze vonden het goed. Leuk zelfs.” Waar hadden ze die toestemming voor nodig? Hij: „Dit project zou nogal wat consequenties hebben voor de avonden, de weekenden. En op de universiteit werkte ik als faculteitsdecaan al tachtig uur per week.” Zij: „En ik werk ook wel hard.”

Om en om roken ze een sigaret in de deuropening naar de binnenplaats. Ooit zijn ze begonnen met samen de gedichten te vertalen van de Amerikaan Mark Strand. Hij: „Gingen we naar de speeltuin, konden wij werken terwijl de kinderen fijn speelden..” Zij: „Maar die hingen natuurlijk mokkend aan onze benen.” Hij: „We hebben aan het vertalen zoveel plezier beleefd.” Zij: „Goed vertalen is vele malen moeilijker dan zelf schrijven. Je bent horig aan het origineel, schatplichtig aan de dichter.” Een paar jaar geleden begonnen ze aan De Messias. „Zo leuk om samen weer bezig te zijn met taal. Geen voetnoten, zoals in ons wetenschappelijk werk.” Zij: „Een wetenschappelijk artikel gaat over feiten, over waarheidsvinding. Je moet van tevoren precies weten wat je gaat opschrijven. Hij: „In een roman kun je keihard gaan rennen en dan zie je wel waar je uitkomt.”

En, vraag ik, dat samen schrijven ging goed? Ze lachen. We zijn begonnen, zegt hij, met het bouwplan. „Het fundament en het staketsel van het boek. Daarin gingen we ieder een eigen kamertje metselen...” Zij: „...dat de ander daarna weer tot de grond toe afbrak.” We hebben, zegt hij, tot bloedens toe elkaars werk door de molen gehaald en in spaanders gehakt.” Zij: „Vreselijke sessies.” Au? Hij: „Nee hoor, wij kunnen elkaar niet kwetsen. Niet met taal.” Zij: „We weten zelf niet eens meer wie welk stuk nou ook alweer geschreven heeft.” Hij: „Ik loof een beloning uit aan diegene die ontdekken kan welke zinnen door wie van ons tweeën zijn geschreven.”

Eén stem vinden voor hen samen, dat was het moeilijkst, zeggen ze. Hij: „Niet de mijne, niet de hare, maar een derde stem. Een stem die meer is dan de som der delen.” Het is de stem van Julian Winter, een naam die geschikt is voor zowel man als vrouw. Komt er een volgend boek van Julian Winter? Ze denken van wel. Met dezelfde stem? Ze haalt haar schouders op. „Dat hoeft niet. Voor elk gedicht kies ik ook een andere stem.” Hij, vanuit de deuropening: „Ik ben er van overtuigd, Esther, dat je gelijk hebt. Maar jouw gedichten lezend, hoor ik toch ook één stem. Die van Esther Jansma.”

Zo bijzonder, zegt hij, dat we samen iets hebben gemaakt dat er eerst niet was. „Dit is het eerste product dat echt van ons samen is.” Het is het kind van jullie samen, zeg ik. „Die gedachte werp ik verre van me,” zegt zij. „Ik heb twee kinderen begraven. Op geen enkele manier is een literair product te vergelijken met iemand van vlees en bloed. Een boek lacht niet als je het kietelt.”

Hij, weer op de bank: „Let op, alles wat er nu gezegd is, gaat ze uit de tekst schrappen.” Hij stelt een compromis voor. Dit boek, zegt hij, is ons geesteskind.