Column

Opwarming

S. Montag

De afgelopen week hebben al onze weermensen van de televisie verzekerd dat we op het ogenblik de warmste novemberdagen ooit beleven. Wat is ooit? In dit geval begint het in 1902, toen in De Bilt voor het eerst de temperatuur werd geregistreerd. En nu, na 113 jaar weer een record!

Je kunt je voorstellen dat ze er plezier in hebben om dat te melden. Zeven dagen per week vertellen dat er morgen een matige wind gaat waaien en dat er kans op regen is, net als gisteren, nee, dat lijkt me geen pretje.

Zijn deze warmste novemberdagen ooit het volgende bewijs van de klimaatverandering? Ik waag me niet meer aan een uitspraak. In 2006 werd de film van Davis Guggenheim en Al Gore over het klimaat uitgebracht, An Inconvenient Truth. Een bloemlezing van alle rampen die de komende generaties als gevolg van stijging van de temperatuur en de zeespiegel, en toenemende droogte, te wachten staan. De helft van Nederland verdwijnt voorgoed onder water. Indrukwekkend.

Dat jaar hadden we ook een buitengewoon warme zomer. Ik beschouwde het als een vroeg bewijs dat Gore gelijk had en schreef er een column over. De volgende dag kreeg ik een reactie van de klimaatdeskundige van Elseviers Weekblad. Door wie ik me liet betalen. Of ik van Lotje getikt was. Nog meer van dergelijke polemiek. Een week later ging ik naar New York. Op een wandelingetje door de 53ste straat werd ik aangehouden door een jongeman die me een pamfletje gaf. „Al Gore is a big fat liar”, zei hij. Na diens film verscheen er een publicatie The Great Global Warming Swindle. Toen heb ik me uit de klimaatdiscussie teruggetrokken. Ik weet wel waar het met de aarde langzamerhand heen gaat, maar dat hou ik voor mezelf.

Wel volg ik nauwkeurig de ontwikkeling van de natuur voorzover binnen mijn bereik. Ik woon aan een drukke driesprong die de bron is van veel fijnstof. Ongelofelijk ongezond. Iedere ochtend veeg ik het van mijn computer en mijn bureau, maar aan wat ik gisteren en vorig jaar heb ingeademd valt niets meer te doen. Min of meer parallel aan deze driesprong komen vijf waterwegen bij elkaar. Grachten kun je ze niet noemen, daar zijn ze te modern voor. Kanalen ook niet, dat is te zakelijk.

Langs de oevers staat een mooie bebouwing in de stijl van Berlage’s Plan Zuid. Daar, voor mijn huis, heb ik nog lekker geschaatst. Wanneer? Eind vorige eeuw? En ik had ook een mooi voertuigje gemaakt, een klomp met een zeil, op twee ouderwetse schaatsen. Hoe lang is het geleden dat we voor het laatst een Elfstedentocht hebben gehad? Daar zeur ik niet meer over. Nu wil de Jaap Edenbaan niet meer bevriezen en de binnenvaart heeft last van de lage waterstand. Hoe komt dat?

Ik heb ook nog uitzicht op vijf bomen die zich aan het einde van hun puberteit bevinden, zou je zeggen als het mensen waren. Een beetje zielige, sprieterige exemplaren die zich nog in de bomenwereld moeten vestigen. Afgelopen week heeft het een paar dagen hard gewaaid. Door de rukwinden werden ze van hun laatste bladeren ontdaan. Beverig boden ze met hun dunne stammetjes en takjes weerstand en voor de wind was er ook niet veel houvast. Het was een meelijwekkend gezicht, maar wat moet je in zo’n geval doen? Als ik gelovig was zou ik misschien gaan bidden.

Toen schoot me, na lange tijd, dat gedicht van Friedrich Nietzsche weer te binnen, ‘Mitleid hin und her’. Het is een van de meest melancholieke gedichten die ik ken. Een onovertroffen weergave van het verlangen naar het onbereikbare en in plaats daarvan de naderende eenzaamheid die zich opdringt door zwermen krassende kraaien in de winterlucht. Ik citeer het slot, in de vertaling van Roel Houwink:

Vlieg vogel, kras je lied/ Van bitt’re eenzaamheid/ Gij dwaas, verberg je bloedend hart/ in ijs en hoon.

De kraaien schreeuwen/ En trekken zwermend naar de stad,/ Dra zal het sneeuwen/ Wee hem die nu is zonder dak!

In de tijd van Nietzsche was er nog geen sprake van de warmste novemberdagen ooit.