Column

Onderzoek naar lek(ken) uit ‘commissie-stiekem’ in de Tweede Kamer weinig kansrijk

Het ongemak dat de Tweede Kamer zichzelf heeft bezorgd met een eigen onderzoek naar een ‘lek’ in de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten – CIVD, alias ‘commissie-stiekem’ – vindt zijn oorsprong in een blunder van minister Ronald Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA), daterend van 30 oktober 2013.

Had hij toen niet ostentatief in het tv-programma Nieuwsuur een briefje uit zijn binnenzak gehaald om, naar later bleek ten onrechte, te ontkennen dat de Nederlandse dienst AIVD telefoongegevens had doorgesluisd naar Amerikaanse collega’s, dan was er nu geen affaire geweest.

Die was er evenmin gekomen als de minister tijdig en publiekelijk zijn vergissing had erkend. Wie als bewindsman openbaar een stommiteit begaat, kan dat maar beter ook zo snel mogelijk publiekelijk rechtzetten. Plasterk deed het pas drie maanden later in een kort briefje aan de Tweede Kamer en dan nog omdat er een rechtszaak dreigde waarin zijn fout zou uitkomen.

Bij alle opwinding van nu over de mogelijke vervolging van een of meer fractieleiders die een ambtsmisdrijf zou(den) hebben gepleegd, is het dus goed om te weten dat het ging om een ‘geheim’ dat niet geheim had moeten blijven. Het werd aanvankelijk wel aan de commissie-stiekem gemeld, al was de lading niet iedere aanwezige duidelijk, zo bleek uit een reconstructie in deze krant. Toch diende D66 een motie van wantrouwen tegen minister Plasterk in, omdat hij de Kamer niet had geïnformeerd. Sommige parlementariërs vonden deze (verworpen) motie hypocriet.

Nu komt er dus een parlementair onderzoek naar het vermeende ‘lek’ naar NRC. De volgende week te installeren commissie uit de Tweede Kamer mag bij haar onderzoek getuigen onder ede horen. Dat wordt interessant: fractieleiders, leden van de commissie-stiekem, die onder ede verklaren dat zij niets kunnen zeggen omdat ze aan geheimhouding zijn gebonden. Als ze wel iets onthullen, zijn ze strafbaar. En ze zijn uiteraard niet verplicht zichzelf te belasten.

Dat biedt weinig hoop op een effectief resultaat. De Grondwet schrijft voor dat slechts na een besluit van het kabinet of de Tweede Kamer de Hoge Raad tot vervolging wegens ambtsmisdrijf van een bewindspersoon of Kamerlid kan overgaan. Dat is de reden waarom het Openbaar Ministerie (OM), dat royaal de tijd nam voor zijn onderzoek, de zaak nu heeft doorgeschoven naar de Tweede Kamer.

Het College van Procureurs-Generaal, het opperste gezag van het OM, tekent er bij aan dat een duidelijk juridisch en procedureel kader voor kwesties als deze ontbreekt. Daar moet dus ook iets aan worden gedaan.

De procedure is nu gebaseerd op de Wet ministeriële verantwoordelijkheid. Deze wet stamt uit 1855 en is bedoeld voor ambtsmisdrijven door ministers – aangeduid als „Hoofden der Ministeriële Departementen”, tegen wie een „aanklagt” kan worden ingediend. Hij geeft de Tweede Kamer daarbij een rol, maar ambtsmisdrijven van parlementariërs worden er niet in genoemd.

Bij de Tweede Kamer ligt een voorstel om de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te moderniseren. Een goed moment om de rol en de taak van de commissie-stiekem onder de loep te nemen. Zij heeft daar zelf ook over enkele malen vergaderd en beschikt over een – nog geheim – rapport Traject versterking functioneren CIVD met aanbevelingen daarvoor.

Al eerder gaf een commissie het advies om ‘openbaar tenzij...’ als uitgangspunt te nemen voor het controleren van de geheime diensten. Zo’n houding had het gehannes van minister Plasterk met de telefoondata kunnen voorkomen.