Moet die commissie zo stiekem?

De ‘commissie-stiekem’ - in opspraak na mogelijk lekken door Kamerleden - ligt onder vuur. Ze zou worden misbruikt door ministers die slecht nieuws willen melden zonder dat nare publiciteit ontstaat. Hoe kan dit beter?

De koranlessen in de moskee in Gouda en Arnhem kwamen ter sprake. Kinderen zouden daar „onverdraagzaam anti-democratisch gedachtegoed voorgeschoteld krijgen”.

En het ging in de commissie-stiekem over de vermeende financiering van islamitische organisaties, instellingen, moskeeën door Saoedi-Arabië. Een andere keer was het onderwerp de Moslimbroederschap, die volgens het kabinet „geen dreiging” voor de nationale veiligheid van Nederland vormt.

Stuk voor stuk zijn dit geen onderwerpen waar het stempel ‘staatsgeheim’ voor is uitgevonden. Toch hadden de fractievoorzitters het er afgelopen jaren over in de commissie-stiekem. Hierin controleren zij het werk van de veiligheidsdiensten. De vergaderingen horen geheim te blijven.

De parlementaire controle op de diensten moet beter, concludeerde twee jaar geleden de commissie-Dessens in de evaluatie van de inlichtingenwet uit 2002. Waar mogelijk moet over de geboden informatie publiekelijk gedebatteerd kunnen worden. „Duidelijke afspraken zijn wenselijk over de wijze, frequentie en inhoud van de informatievoorziening.”

Eén van de vaste verwijten is dat ministers de commissie zouden gebruiken om politiek gevoelige zaken met de Tweede Kamer te delen, zonder dat daar vervolgens nare publiciteit over kan ontstaan. Minister Plasterk wilde de fout die hij vorig jaar maakte – 1,8 miljoen belgegevens waren niet zoals hij zei door de VS verzameld, maar door Nederlandse diensten – verdedigen door te verwijzen naar de juiste informatie die de commissie-stiekem wél had gekregen. Dat ging mooi niet door, de commissie weigerde zijn verzoek. Het toonde dat de commissie inderdaad soms wordt misbruikt.

Sinds 2013 gebeurde er weinig

Hoe moeten ze de diensten dan wel controleren? Klaas Dijkhoff, toen nog Tweede Kamerlid voor de VVD, sprak zich in december twee jaar geleden als eerste uit. Hij wilde dat de commissie Binnenlandse Zaken, die in het openbaar debatteert over het werk van de AIVD, niet langer kon worden uitgespeeld tegen de commissie-stiekem. Laat één parlementaire commissie samen met de diensten en ministers bepalen wat wel en niet vertrouwelijk moet worden behandeld, bedacht hij. Dan zijn het niet langer de veiligheidsdiensten die zelf kunnen besluiten wat zij tot vertrouwelijk bestempelen.

Maar dat was december 2013 en sindsdien gebeurde er weinig. Er kwam wel een werkgroepje Dijkhoff, met een paar Tweede Kamerleden die oriënterend werk zouden doen. Alleen vertrok de initiator en aanjager in het voorjaar naar het ministerie van Veiligheid en Justitie om staatssecretaris te worden. En het kabinet – lees: minister Plasterk – laat de organisatie van de parlementaire controle met liefde aan de Tweede Kamer zelf over.

‘Stiekem’ wil het zelf ook anders

De meeste grote partijen in de Tweede Kamer weten al sinds ‘Dessens’ geen raad met dit onderwerp. Het CDA, de PvdA en D66 konden gisteren niet laten weten wat ze vinden. Het is misschien goed, zei alleen D66, dat er „nog eens gekeken wordt” naar de exacte werkwijze van de commissie.

Ronald van Raak (SP) zat eerst op de lijn Dijkhoff. Laat één commissie de openbare en de geheime controle doen, dacht hij ook, want fractiespecialisten weten hier veel meer van dan fractievoorzitters. Die hebben bovendien meer aan hun hoofd – jarenlang was de lage opkomst bij de commissie-stiekem een probleem.

Nu zegt Van Raak dat hij het liever zo ziet dat de commissie-stiekem alleen geïnformeerd wordt over acute operationele geheime informatie, denk aan een onmiddellijke dreiging van een aanslag op een station. De rest van de informatie, bijvoorbeeld aantallen telefoontaps óf de Koranlessen in Gouda, zou volgens hem gewoon openbaar moeten zijn. De splitsing tussen de ‘gewone’ woordvoerders en de fractievoorzitters blijft dan bestaan: „Dan hoef ik in het debat niet bang te zijn om me te verspreken.”

Het Kameronderzoek naar het mogelijke lekken uit de commissie biedt een opening de hele manier van controleren en wat er wel en niet geheim moet blijven, opnieuw te beoordelen.

Al líjkt dat onderwerp nu al onder de fractievoorzitters te leven. Vorig jaar november besprak de commissie met Plasterk of sommige zaken niet toch openbaar gemaakt kunnen worden. Zoals het aantal insluipingen of geplaatste richtmicrofoons. En in mei, staat in het jaarverslag, besloten de leden om met voorstellen te komen om hun werkwijze „aan te scherpen”. Maar of dat er echt van is gekomen, is geheim gebleven.