Met woeste haast en koele blik

Het begint met een sombergekleurde gouache waarop we zien hoe een vrouwengestalte zich door een straat verplaatst, steeds weer dezelfde vrouw, die naar de donkere onderkant van het beeld loopt, haar handen voor haar gezicht slaat, haar armen spreidt en dan oplost in de duisternis. Een tekst, op een transparant vel, zegt: „Op een dag in november verliet Charlotte Knarre het ouderlijk huis en liep het water in.” „Eerste scène.”

Het is het duistere en veelzeggende begin van de getekende en geschreven beeldroman die Charlotte Salomon Leven? Of theater? zou noemen.

Charlotte Salomon was een jonge Duits-Joodse kunstenares (1917-1943) met een familiegeschiedenis waarin angstaanjagend veel zelfmoorden voorkwamen. De Charlotte Knarre die we op de eerste bladzijde van haar werk het water in zien lopen was haar tante. Ook Charlottes moeder zou zelfmoord plegen, en later, vrijwel voor haar ogen, haar grootmoeder.

Charlotte Salomon schrijft ergens dat ze voelde dat ook in haar deze drang leefde om een einde aan haar leven te maken en dat ze daar ‘etwas ganz verrückt besonderes’ tegenover moest stellen om niet gek te worden. Dat totaal krankzinnige waarmee ze zichzelf overeind hield, is dit werk geworden. In minder dan twee jaar schilderde ze meer dan duizend gouaches. Ze wilde niets anders dan schilderend verbeelden wat ze had meegemaakt, geleerd, gezien. In 1942 was het af. Het is een overrompelend en wervelend werkstuk geworden. Salomon legde het in een grote koffer en gaf het aan haar huisarts in het ZuidFranse Villefranche waar ze sinds twee jaar, op de vlucht voor de nazi’s, verbleef. Ze drukte hem op het hart het goed te bewaren, met een zinnetje dat zo mythisch is dat je bijna niet kunt geloven dat ze het echt heeft uitgesproken: „C’est toute ma vie.”

Het is waar, voor ons nu nog meer dan voor haar toen, want wij weten wat zij alleen maar kon vrezen: dat er daarna niet veel leven meer overbleef. In 1943 werd ze, zwanger, omgebracht in Auschwitz.

Twee liefdes

De gouaches kwamen na de oorlog in handen van Charlottes vader en stiefmoeder. Die brachten ze onder de aandacht van het Stedelijk Museum in Amsterdam, dat in 1961 een tentoonstelling organiseerde, waardoor internationale aandacht voor het oeuvre van Salomon ontstond. Het werk zelf werd begin jaren zeventig geschonken aan het Joods Historisch Museum in Amsterdam. In 1980 bracht Frans Weisz de speelfilm Charlotte uit, en in datzelfde jaar verscheen de eerste complete uitgave van Leven? Of theater?, vertaald door Judith Herzberg en uitgegeven door Gary Schwartz. Nu heeft uitgeverij Cossee, samen met de Franse uitgeverij Le Tripode, het werk opnieuw uitgegeven, nog iets completer dan toen, want ook met reproducties van de transparante tekstvellen die Salomon aan de gouaches toevoegde. En weer, net als vijfendertig jaar geleden, is het een aangrijpende ervaring om dit werk tot je door te laten dringen.

Het is, behalve de geschiedenis van het meisje Charlotte Kann, zoals Salomon haar personage noemt, vooral de geschiedenis van een hevige liefde – „Zoals ik van je hou heeft nog nooit een mens van iemand gehouden”.

Eigenlijk zijn het twee hevige liefdes: de kleine Charlotte wordt eerst min of meer verliefd op haar stiefmoeder, een beroemde zangeres. In het werk heet ze Paulinka Bimbam, in werkelijkheid heette ze Paula Lindberg en ze was in de jaren dertig in Duitsland zeer gevierd. Op YouTube is een krakende en tikkende geluidsopname van haar te horen waar ze heel langzaam en gedragen ‘Bist du bei mir’ zingt, een lied dat in Leven? Of theater? vaak voorkomt.

Haar tweede liefde geldt haar stiefmoeders zangpedagoog Alfred Wolfssohn, door Charlotte Amadeus Daberlohn genoemd. Hij is een bijkans messianistische figuur, die na zijn verschrikkelijke ervaringen in de Eerste Wereldoorlog zichzelf weer tot het leven terug heeft geleid. Vandaar dat hij graag het beeld van Orfeus gebruikt. Hij meent dat een mens de dood in de ogen moet zien om iets werkelijk groots te kunnen scheppen. Charlotte neemt zijn theorie over.

Die theorieën van hem zijn, zoals schrijfster Niña Weijers in haar nawoord opmerkt, „op z’n zachtst gezegd maar weinig wetenschappelijk onderlegd” maar dat deert Charlotte niet. Hij vindt haar eerder amusant dan dat hij van haar houdt, vertelt Salomon met haar gouaches, maar haar jongere zelf, het personage Charlotte, ziet dat niet. Hun liefde was „vooral haar eigen projectie, de strohalm die ze gebruikte om zich op te trekken uit het moeras”, schrijft Weijers.

Zo is het. De kracht waarmee Charlotte van Daberlohn houdt, tilt haar op. Die kracht is niet afhankelijk van zijn liefde voor haar, maar van iets dat hij tegen haar zei: „Ik hoop dat je nooit vergeet dat ik in je geloof.”

Het leven geeft Charlotte alle reden om er niet aan mee te willen doen. We zien haar op een gouache als negenjarig meisje, na de dood van haar moeder, verslagen in de badkamer van haar grootouders zitten en zeggen: „Dat noemen ze nu het leven.” Ook verderop, als haar vader door de nazi’s naar een kamp is afgevoerd zegt ze een keer: „Ik heb genoeg van dit leven. Ik heb genoeg van deze tijd.”

Ondanks de aantrekkingskracht van de dood, die door de gebeurtenissen en de omstandigheden nog verhevigd wordt, gaat Charlotte tóch leven, door te scheppen: haar met woeste haast en tegelijkertijd met koele blik geschilderde ‘Zangspel’. Salomon geeft geregeld aan welke muziek men erbij dient te horen.

Vergiftigd

Aan het slot van deze uitgave is een nooit eerder in zijn geheel gepubliceerde brief afgedrukt. Een brief van Charlotte, gedateerd omstreeks februari 1943, waarin ze zich in de ik-vorm – die ze verder nergens gebruikt – richt tot ‘Amadeus Daberlohn’ en hem vertelt over haar leven in Zuid-Frankrijk, over zichzelf, over haar liefde voor hem én over de uiterst terneerdrukkende werking die haar grootvader op haar heeft. Ze bekent dat ze hem vergiftigd heeft.

In zijn roman Charlotte, onlangs in het Nederlands verschenen, schrijft de Franse schrijver David Foenkinos dat haar grootvader seksuele toenadering tot zijn kleindochter zocht. Inderdaad zijn er tekeningen die daar tamelijk onomwonden op duiden: „Je kunt toch gewoon bij mij in bed komen liggen als er niets anders te krijgen is”, zegt de grootvader bijvoorbeeld, slechts gekleed in een nachthemd. En in haar brief schrijft ze dat ze weer terugviel in „een langzame op de dood gelijkende lethargie” toen ze opnieuw samen moest leven met haar grootvader.

Of ze haar grootvader werkelijk vergiftigd heeft, weet niemand.

Hoe dan ook eindigt dit boek met een stralende, kleurige plaat waarop we Charlotte op haar rug zien, aan zee, schilderend. Om precies te zijn: beginnend aan het werkstuk dat voor ons ligt.