Ik voel de plicht om optimistisch te zijn

We leven in Nederland in een pragmatische maatschappij, zegt hoogleraar Hans Boutellier, zonder verbindende moraal. „Wat ons bindt, is de wens om alles zelf te kunnen bepalen.” Deze week verscheen zijn boek over moraal zonder God.

De torenspits van de Spaarnekerk waar Hans Boutellier werd gedoopt, werd het uithangbord voor een snackbar in Schalkwijk. Foto Olivier Middendorp

Als kleine jongen wilde Hans Boutellier zingen in het kerkkoor. De muziek, het decor – schit-te-rend vond hij dat. Maar in plaats van koorlid werd hij misdienaar. Dat was ooit de droom van zijn vader. Hij, zoon van een timmerman, kwam door zijn eenvoudige komaf niet in aanmerking voor die eervolle taak. Dus toen vader Boutellier zijn zoon Hans kon aanmelden als misdienaar aarzelde hij niet.

Zo’n vijftig jaar later is Hans Boutellier (1953) bijzonder hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en wetenschappelijk directeur van het Verwey-Jonker Instituut dat sociaal-wetenschappelijk onderzoek doet. Donderdag verscheen zijn vierde boek: Het seculiere experiment. Het gaat over het verdwijnen van de kerk als morele gids en kreeg als ondertitel: ‘Hoe we van god los gingen samenleven’.

„Wat ons bindt, is de wens om alles zelf te kunnen bepalen”, zegt Boutellier. In de moet-toch-kunnen-samenleving is de vraag of een fietser door rood rijdt of een automobilist zich aan de maximum snelheid houdt, een kwestie van kansberekening geworden: word ik gepakt?

We leven in een ‘pragmacratie’, stelt Boutellier. „Met de godsdienst zijn ook de grote inspirerende verhalen verdwenen. Je bent voor of tegen de opvang van vluchtelingen, een middenweg lijkt niet te bestaan. Voor de een is de vluchteling een projectiescherm voor al zijn angst. De ander ziet een kans voor barmhartigheid. Die gevoelens van angst en barmhartigheid komen maar moeilijk meer samen. Je ziet steeds vaker radicale posities die een dialoog moeilijk maken.”

Theatermissen

In zijn nieuwe boek mengt Hans Boutellier zijn wetenschappelijke inzichten met zijn persoonlijke levenservaring. „Ik ben een kind van de secularisering, een ontwikkeling die Nederland volledig heeft veranderd.” In het progressieve Haarlem begon de kerk met theatermissen, de paters op zijn middelbare school liepen niet meer in een pij. Zijn school had al een eigen parlement vóór de grote studentenprotesten eind jaren zestig .

Katholiek voelt hij zich allang niet meer, maar soms klinkt er bij hem weemoed door naar de tijd waarin hij opgroeide. „Er was van alles mis met de Katholieke Kerk”, zegt Boutellier met een verwijzing naar het misbruikschandaal. „Maar religie was – en is – een succesvolle cultuuruiting die hoge cultuur verenigde met het leven van alledag en mensen op alle niveaus in de samenleving aansprak en verbond.”

Illustratief voor de teloorgang van de kerk in Nederland is de geschiedenis van de Spaarnekerk in Haarlem, die in 1982 is gesloopt. Een ondernemer uit het Haarlemse Schalkwijk kocht de torenspits en liet die bovenop zijn snackbar zetten. Een religieus symbool als marketinginstrument, Hans Boutellier vertelt het met een glimlach, maar hij vindt het niet echt leuk. Dat geldt ook voor de manier waarop christelijke feestdagen zoals Kerstmis nu worden gevierd. „Ik vlucht meestal het land uit om die leegte te ontlopen.”

Waarom spreekt u in de boektitel van een experiment?

„De secularisering is mondiaal en historisch gezien een vrij unieke situatie. Net als bij mijn vader bestond ook onder Verlichtingsfilosofen de vrees dat een samenleving niet zonder religie zou kunnen. In de jaren zestig heeft de massale secularisering zich vrij plotseling voltrokken. God trok zich terug, en velen vielen definitief van hun geloof. Ik probeer een halve eeuw later de balans op te maken.”

In die periode veranderde nog veel meer, vooral op het terrein van technologie.

„Ik onderzoek hoe de secularisering is verlopen en wat die in deze tijd betekent. Dat doe ik aan de hand van een aantal onderwerpen waar ik al veel over geschreven heb. Op basis daarvan kom ik tot de conclusie dat we de zaken ook zonder religie weten te regelen, maar dat de bezieling lijkt te ontbreken. Die moeten we uit onszelf halen. Dat geeft veel onzekerheid.”

Het boek begint met een stelling van uw vader: ‘Als er niemand meer in God gelooft, dan wordt het een zooitje, jongen.’ Is dat uitgekomen?

„Het is geen zooitje geworden, maar we kunnen er moeilijk in geloven. We leven in een rijk, vrij land, gaan pragmatisch met problemen om en zijn daar vrij succesvol in. En ook als we van god los zijn, is er moraal. Al is die erg individualistisch.”

Onze vrije seksuele moraal is een van de alom geprezen verworvenheden van de seculiere maatschappij. U signaleert echter wel zorgelijke ontwikkelingen.

„De gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen is een enorme verworvenheid van de westerse cultuur en onze seksuele moraal is daar een uiting van. Die vrijheid brengt wel nieuwe problemen met zich mee. Seksueel geweld is er één van. Dat de helft van de jonge vrouwen ongewenste seksuele ervaringen rapporteert, is schokkend. De overweldigende aanwezigheid van pornografie is nauwelijks onderwerp van gesprek. Tegelijkertijd is pornografie minder gewoon dan we elkaar willen doen geloven: iedere ouder die hoort dat zoon of dochter pornoacteur wordt, zal even moeten slikken.”

Wat zegt dat over onze normen?

„In een tijd zonder expliciete normering over wat wel en niet mag, is instemming het enige dat overblijft. Hoe dat werkt, moeten jongeren op experimentele wijze uitvinden. Dat daarbij situaties ontstaan die ze niet willen, is dan logisch.”

Een ander thema in uw boek is de angst voor criminaliteit. Heeft die ook met ontkerkelijking te maken?

„Dat is ingewikkelder. Toen de criminaliteit in de jaren zeventig snel begon te stijgen, werd gewezen naar het verdwijnen van sociale controle en gemeenschapszin. Twee effecten van de ontkerkelijking. Maar dat bleek niet te kloppen. Het was een tijdelijk effect. Sinds eind jaren negentig daalt de criminaliteit weer, terwijl de secularisering gewoon doorzet. Sinds de opkomst van de radicale islam wordt er een omgekeerd verband gelegd tussen geloof en criminaliteit. In dit geval wordt religie dus niet gezien als een dempende factor maar precies andersom, als een stimulans voor criminaliteit en geweld.”

In de jaren tachtig werd de kerkelijke moraal vervangen door een andere, die van het slachtoffer. Dat heeft grote gevolgen gehad, stelde u eerder. Waarom?

„Angst en onbehagen spelen daarin een grote rol. De veel voorkomende criminaliteit werd een groot probleem, mensen hadden daar last van. Maar het onbehagen was groter. De overheid ging vanaf midden jaren tachtig werken aan criminaliteitsbestrijding. De verhalen van slachtoffers werden leidend voor het beleid en de nieuwe seculiere moraal. Daardoor ontstond een andere benadering van criminaliteit. Naast de bestrijding is er steeds meer aandacht gekomen voor wat we veiligheidsdenken noemen.”

Wat is het verschil?

„Het strafrecht reageert op een delict. Veiligheidsbeleid speelt in op risico’s. Bestrijding van criminaliteit werkt achteraf. Veiligheidsdenken is preventief, daarbij wordt gekeken naar risico’s die zich voor kúnnen doen. Maar wanneer is een situatie veilig? Zijn we nu veilig, zoals wij hier zitten te praten? Er kan zo een gek opstaan die begint te schieten. Een veilige situatie is nooit definitief. Het gevolg van wat ik de veiligheidsutopie heb genoemd is een groeiende angst voor criminaliteit, en vooral bezorgdheid over de moraal. Door de economische crisis is dat teruggedrongen door zorgen over bestaanszekerheid.”

Burgers verlangen een overheid die hard optreedt tegen criminaliteit, maar als ze een verkeersboete krijgen is de klacht al snel: ‘meneer agent, ga toch boeven vangen’. Waar komt dat vandaan?

„‘Leg mij niets in de weg maar disciplineer de buurman’, dat zit in onze cultuur ingebakken. Over fundamentele normen als wreedheid, vernedering en discriminatie zijn we het wel eens, maar praktische normen als snelheidslimieten zijn altijd betwistbaar. Mensen lopen er niet warm voor. Daar zit ook het verschil met levensbeschouwelijke normering. De kracht van religie is de gezamenlijke beleving. Normen die daaruit voortkomen beleven we intenser en lijken minder vrijblijvend.”

Is dat het enige gevolg van het wegvallen van religie als bindende factor?

„Nee. Mensen voelen zich minder geborgen, Pim Fortuyn noemde dat aan het begin van deze eeuw verweesdheid. Een gevoel van onbehagen over de vraag hoe we met elkaar omgaan, welke normen we nog samen delen. Die angst is veel groter en fundamenteler dan de angst om slachtoffer te worden van criminaliteit. Daarom zijn burgers meegegaan in het veiligheidsdenken van de overheid en de surveillancemaatschappij die door de technologische verandering is opgekomen. Dat is paradoxaal en verbazingwekkend. We willen alles zelf bepalen en tegelijkertijd zijn we zo bang voor het ontbreken van gezamenlijke normen dat we er geen bezwaar tegen hebben dat er heel nauwkeurig en systematisch informatie over ons wordt verzameld. Ik zie daar overeenkomsten met de religieuze voorzienigheid, een alom aanwezige macht.”

Zien we diezelfde angst nu terug in het debat over asielzoekers?

„Dat vraag ik me af. Dat debat gaat over angst en barmhartigheid. Wat moet voorrang krijgen? Die twijfel zit in ons allemaal. Je moet wel heel bot zijn als je geen mededogen voelt met asielzoekers. Maar iedereen begrijpt ook wat het voor een kleine gemeenschap betekent als er een grote groep nieuwkomers moet worden opgevangen. Die angst van de burger wordt geclaimd door de PVV van Geert Wilders, al heeft hij daar niet het alleenrecht op. Je ziet in het publieke debat wel dat het heel lastig is om in de praktijk de angst van burgers serieus te nemen en tegelijkertijd barmhartig te zijn.”

Waarom is de bevolking over dit onderwerp zo gepolariseerd?

„Ik heb dat wel eens de beschavingsbuffer genoemd. Met het verdwijnen van religie is er een buffer weggevallen van gedeelde ervaringen waardoor je elkaar gemakkelijk kon vinden en aanspreken. Nu is een tegengestelde mening al heel snel een conflict. Er zit niks meer tussen.”

U beschrijft een samenleving die een stuk ingewikkelder is dan die van uw vader. Dat stemt niet optimistisch?

„Ik voel de plicht om optimistisch te zijn. Ik redeneer in dit boek door op de huidige seculiere conditie. De beschavingsbuffer is vervangen door een stortvloed aan meningen, een buzz van waarden, opvattingen en geloven. Ik vind het hoopgevend dat we elkaar permanent bevragen. In de informatielawine kan ook nieuwe gemeenschappelijkheid ontstaan. Dat gebeurt als we ons realiseren dat er iets groters is, iets dat ons overstijgt.”

U gelooft in onze samenleving?

„De westerse cultuur is gebaseerd op diepe twijfel. Die ligt ten grondslag aan de enorme vooruitgang. ‘Een wetenschapper is op zoek naar de waarheid in de hoop dat die achterhaald zal raken.’ Die uitspraak van Max Weber is typerend voor onze samenleving. Het recht op die twijfel is verankerd in de rechtsstaat. Tegelijkertijd is ook de rechtsstaat een geloof. Maar wel een geloof dat de basis schept voor andere religies. Dat is een schitterende prestatie, die we moeten koesteren. Dat kan alleen door over elkaars geloven te praten.”