Democratie gaat in kleine stappen

In bepaalde perioden van de ontwikkeling van landen en volken zijn sterke leiders van groot belang. Tahmina Akefi (In een anarchie kan ik zo niet over straat, 31/10) en Sebastiaan Valkenburg (Dus misschien toch maar praten met Assad?, 31/10) betoogden dat in NRC.

Hun standpunt wordt ondersteund door diepgaand onderzoek van Elza Maalouf, opgegroeid in Libanon, expert in maatschappelijke en politieke verandering en auteur van Emerge!.

Zij stelt dat het Midden-Oosten een speelbal is geworden van uiteenlopende politiek-strategische en economische belangen.

Het ingrijpen door het Westen heeft de natuurlijke ontwikkeling van staten in dit deel van de wereldbol doorkruist.

De chaos die door stammenstrijd en naar macht grijpende heersers, ontstaan is, vraagt nu om ordening en structuur. Religie kan daar een belangrijke rol in spelen, evenals een sterke leider of het leger. Op hun manier zorgen zij voor een zekere rust en voorspelbaarheid. Ook al zouden wij dat misschien graag anders zien.

Europa heeft er eeuwenlang over gedaan om tot de huidige staatsdemocratieën te komen.

Deze zijn niet zomaar over te planten naar het Midden-Oosten. Daar zal men eigen staatsvormen moeten ontwikkelen.

Democratie krijgt pas een kans wanneer er een goed functionerend maatschappelijk middenveld is opgebouwd. Investeringen die in dat middenveld worden gedaan, zijn effectiever dan het inzetten van buitenlandse wapens.

Economisme

Het gaat niet altijd om geld

Ombudsman Sjoerd de Jong stelt vast dat het begrip ‘economisme’ niet is verzonnen door GroenLinks-leider Jesse Klaver, die een boek met die titel schreef. De Jong stelt dat de term in deze krant al veel eerder opdook, onder meer in een opiniestuk van PvdA-politicus Thijs Wöltgens.

Dat klopt, het woord staat ook al gewoon in Van Dale. De geschiedenis van het begrip gaat echter verder terug. Omstreeks 1961 hoorde ik professor Jan Pen in Groningen al spreken over „drie valkuilen voor economen”. Een daarvan was het „economisme”. Het is terug te vinden in zijn boek Economische actualiteiten (Aula, 1967). Pen behandelt het begrip als een vorm van „inefficiënt denken” binnen de economie.

Een citaat (p. 205): „Het economisme ontstaat door de geïsoleerde beschouwing van wat ‘het economische aspect’ wordt genoemd. ‘Dat is mijn zaak niet’, zegt de econoom die de grenzen van zijn vak in acht neemt op de wijze die de leerboeken hem hebben bijgebracht. Hij zegt het als hij de politieke factoren ontmoet […] of als hij een psychologische factor tegenkomt.”

Het leidt er volgens Pen toe „dat de economistische economen de wereld niet begrijpen”, omdat ze niet inzien dat „de mensen meer bewogen worden door geldingsdrang, ijdelheid, werklust, sportiviteit, saamhorigheid, dan door het streven naar meer inkomen.” (p. 206). Het ging Pen dus om een correctie op de fictie van een neutrale economische wetenschap: ook niet-economische factoren spelen altijd een rol.

Klaver geeft er een andere invulling aan. Hij ziet economisme als het terugbrengen van het vak tot wat te kwantificeren is, het financiële vooral. Hij heeft een punt, want veel belangrijke dingen zijn niet terug te brengen tot statistiek, formules en geld. Juist in de politiek moet je het hebben over richting, waarden en visie.

Arjen Mulder Assen