Column

Ze ruiken me

Hoewel mij voor het overige geen perversiteit vreemd is, ben ik geen racist. Ik eet dieren, rook planten en koester een diepe minachting voor menig medemens, waaronder bankiers en managers met witte boorden, eigenaars van SUV’s en wit-lederen bankstellen en veel te blanke mannen die korte broeken dragen, maar een racist ben ik niet. Het lukt me niet. Ik geloof er gewoon niet in. Huidskleur interesseert mij niet. Ik ben op zichzelf niet tegen het systematisch achterstellen van bepaalde bevolkingsgroepen, zoals forensen, korfballers, economen en literair critici, maar als een van hen toevallig zwart is, wil ik geen uitzondering maken. Ongelijke behandeling moet wel een reden hebben. Ik zal mensen met graagte discrimineren op grond van wat ze doen en wat ze zeggen, maar nooit op grond van wat ze zijn.

Ik zal het nog sterker vertellen. Niet alleen ben ik incapabel om racist te zijn, ik loop zelfs te koop met mijn onvermogen. Toevallig verschijnt deze week mijn boek Gelukszoekers, een bundeling van teksten die ik de afgelopen jaren heb geschreven over migratie. De totale opbrengst van de verkoop gaat naar een organisatie die vluchtelingen helpt. Mede vanuit een bewustzijn van onze koloniale geschiedenis voelde ik een sterke aandrang om in het strijdperk te treden voor die honderdduizenden, grotendeels zwarte, al dan niet economische vluchtelingen die er hun leven voor over hebben om een leven te mogen opbouwen in de vrije landen waar wij wonen en ik wilde dat niet alleen doen met woorden, maar ook een daad stellen, al was het maar financieel.

Maar sinds afgelopen zaterdag weet ik dat dit gebaar niet op prijs wordt gesteld. Toen stond het inmiddels veelbesproken stuk in deze krant over Black Twitter onder de kop ‘Witte mensen moeten eens luisteren’. Omdat ik zelf blank ben, heb ik geen recht om ongelijkheid aan de kaak te stellen, racisme te bevechten en het op te nemen voor zwarten. Ik ontbeer agency, zoals dat heet. Omdat ik zelf geen slachtoffer ben, mag ik mij niet in de discussie mengen. Als ik dat wel doe, maak ik het alleen maar erger. Dan ben ik een helper whitey en dat maakt mij nog verwerpelijker dan een racist, want door dingen te zeggen die een zwarte eigenlijk had horen te zeggen, neem ik de plek in van een zwarte en als er naar mij wordt geluisterd, maakt dat de zaak er niet beter op, want dan bewijst dat alleen maar dat er uitsluitend naar blanken wordt geluisterd. ‘Ik ruik ze’, zegt Arzu Aslan, ‘witte mannen van rond de vijftig jaar, vaak linksig, met als handelsmerk antiracisme en anti-islamofobie. Ik heb tien keer liever een diehard racist. Witte mannen, je moet ze bréken.’

Ik voel me aangesproken. Ik ben zo’n goedbedoelende witte man, al ben ik heel erg ontzettend veel jonger dan vijftig. Wel drie jaar. Ik zet mijn talent en mijn royalty’s in om zwarten te helpen. Dat maakt mij erger dan een racist. Ze willen mij breken.

Ik denk dat ik agency heb. Iedereen met een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel is slachtoffer van een onrechtvaardige samenleving. Maar het gaat de geïnterviewde vrouwen van Black Twitter niet om mijn boodschap, maar om mijn huidskleur. Ze willen niet eens luisteren naar wat ik te zeggen heb of lezen wat ik heb geschreven, want ze ruiken me. Ik ben een vieze blanke. Ik moet mijn mond houden. Gebroken zal ik worden. Om iemand op grond van zijn huidskleur het recht tot spreken te ontnemen is onverbloemd racisme.