Vluchtelingen op het Centraal Station, in 1914

Het Stadsarchief Amsterdam beheert ruim 30.000 tekeningen en prenten van Amsterdam. Van eeuwenoud tot heel recent. In NRC Amsterdam telkens een werk uit deze schatkamer. Deze week een beeld dat weer actueel is: wachtende vluchtelingen op het Centraal Station.

De aankomst van Belgische vluchtelingen in Amsterdam, oktober 1914, Piet van der Hem. Houtskool, penseel in kleur, 53,8 x 73,2 cm.

Een haveloos groepje mensen op een perron bij het Centraal Station. Ze zien er uitgeput uit. Ze zijn alles kwijt, behalve dat wat ze op hun tocht hebben kunnen meenemen, provisorisch in lakens en spreien bijeengepakt. Een echtpaar is erop neergezakt, half in elkaar gedoken. Anderen tillen kleine kinderen op de arm. Een kind krijgt iets te drinken uit een wit kommetje. Een meisje van een jaar of negen hangt doodmoe, ontroostbaar, op een van de balen.

In haar balt zich alle besef van verlies, verlatenheid en onzekerheid over de toekomst samen. Alles is grauw en grijs. Alleen de rode hartvorm, verloren tussen de plunjezakken, lijkt nog te leven. Op de achtergrond gaat het uitladen van zakken gestaag verder.

In oktober 1914 werd Nederland overspoeld door een enorme golf vluchtelingen van bijna een miljoen mensen. Het begin van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 bracht de eerste vluchtelingenstroom uit België op gang. Maar na de aanval op Antwerpen door het Duitse leger op 7 oktober volgde een ware exodus. De dorpen en steden in de zuidelijke provincies konden de toestroom niet aan en vluchtelingen werden zoveel mogelijk doorgezonden.

Zo arriveerden op het Centraal Station in Amsterdam uiteindelijk zo’n 20.000 ontheemden: vrouwen, mannen, kinderen. In een „lange, ellendige, droeve stoet”, zoals het Algemeen Handelsblad schreef, trokken ze naar de Effectenbeurs, waar de registratie plaatsvond. De ambtelijke notities in de Verblijfregisters lezen als momentopnamen van ontwrichte levens. Complete families werden ingeschreven: man, vrouw en kinderen, soms met opa en oma erbij. Regelmatig kwam een vrouw alleen met kleine kinderen. „Man aan het front”, noteerde de ambtenaar, al was het allesbehalve zeker dat hij nog leefde. En dan de weduwe met zes jonge kinderen, waarvan er onderweg een was zoekgeraakt, en haar man, politieagent in Antwerpen, door een bom was gedood.

In de chaos onderweg en in de tijdelijke opvangplaatsen, zoals Roosendaal en Bergen op Zoom, vlak aan de grens, raakte men elkaar gemakkelijk kwijt. „Mist moeder”, noteerde de ambtenaar in de kolom, bestemd voor ‘Aanmerkingen’. Zo kwam Jannetje Bruggemans, vijf jaar oud, alleen aan. Kolom aanmerkingen: „’t laatst te Antwerpen gezien”. Rosalia Vereek, negen jaar. Kolom aanmerkingen: „ouders in Roosendaal of Apeldoorn”. Janne Vermeirsch, drie of vier jaar oud. Kolom aanmerkingen: „Vader gesneuveld. Moeder is zoek”.

Verstopt briefje

De Amsterdamse loodgieters, die werkten aan de bekleding van het dak van het Scheepvaarthuis aan de Prins Hendrikkade, zagen dagelijks vanaf hun hoge standpunt de vluchtelingen de stad binnenkomen. Op 14 oktober griffelden zij een tekst op een loden dakleitje en verstopten dat in het torentje, waar het pas in de jaren ’70 bij restauratiewerkzaamheden werd teruggevonden. Een unieke hartenkreet van vier gewone Amsterdammers, die weinig konden uitrichten, behalve getuigenis afleggen, hun stem laten klinken in een tijdscapsule, voor latere generaties.

„14 october 1914het bloedjaar – het jaar wat wij / hopen dat nooit meer komen zal / toen Belgie verslagen is – en hun toevlucht tot ons land nam waar / de stakkers liefderijk zijn ontvangen / dit is de wensch van de gezellen / die dit dak gedekt hebben. / J.F. Monnik sr. of bijgenaamd Frits  / G. van Dijkhuizen sr. / L.C.A. Jacobs en N. Tabak.”

Opvang

In augustus en september waren de Belgische vluchtelingen nog opgevangen door meestal welgestelde particulieren en in openbare gebouwen, zoals de Oudezijds Kapel. Maar na de verovering van Antwerpen was dit volkomen ontoereikend en werden loodsen in het Oostelijk Havengebied door de gemeente provisorisch ingericht voor de opvang. Een loods van de Stoomvaart Maatschappij Nederland bood plaats aan honderden uitgewekenen, met grote gemeenschappelijke slaapzalen en ruimtes waar aan lange tafels 350 mensen tegelijk konden eten.

Vanaf eind oktober 1914 keerde het tij. Het front had zich naar het zuiden verplaatst. In Antwerpen en omgeving, waar veel van de in Amsterdam belande vluchtelingen vandaan kwamen, was het gewone leven weer op gang gekomen. Het merendeel besloot in de laatste maanden van 1914 terug te keren. Anderen vertrokken naar Engeland. Wie geen onderkomen had in de stad werd doorgezonden naar het grote opvangkamp in Nunspeet. Een deel van de vluchtelingen ging uiteindelijk pas na de wapenstilstand van 11 november 1918 naar huis terug. En sommigen bleven altijd, en werden Amsterdammer.