Op het Binnenhof is iedereen verdacht

Voor het eerst in de geschiedenis moeten Kamerleden onderzoeken of ‘één of meer’ fractieleiders vervolgd moeten worden. Maar komt het wel zover?

Tweede Kamervoorzitter Anouchka van Miltenburg, gisteren. Foto David van Dam

„Wie heeft zijn mond voorbijgepraat?” Een peiling op de site van RTL Nieuws roept de hulp in van online bezoekers. De tussenstand, gisteren aan het einde van de avond: 3 procent voor Sybrand van Haersma Buma (CDA), 6 procent voor Halbe Zijlstra (VVD) en 16 procent voor Geert Wilders (PVV). De winnaar, met grote afstand: Diederik Samsom (PvdA), met 39 procent.

Bij televisieprogramma Pauw kreeg Samsom een balkje over zijn ogen, alsof hij verdachte is. En bij De Wereld Draait Door werd hij na een zorgvuldige afstreepexcercitie („Alle pijlen wijzen richting deze man!”) zelfs veroordeeld tot een verblijf in de cel. Al werd ook nog de mogelijkheid opengehouden dat Arie Slob (ChristenUnie) de dader was: „ In detectives is de brave hendrik vaak de mol.” 

Op het Binnenhof en in de media waarde gisteren een wonderlijke uitvergroting van het whodunit-virus rond. Aanleiding is een „ernstige en unieke zaak”, zoals Tweede Kamervoorzitter Anouchka van Miltenburg zei. Het Openbaar Ministerie heeft „een of meer leden” van de ‘commissie-stiekem’ „in beeld” gekregen bij het mogelijk lekken van informatie naar NRC. In die commissie worden de fractievoorzitters geïnformeerd over de veiligheidsdiensten. 

Gisteren droeg het OM het onderzoek over aan de Tweede Kamer. Lekken uit de commissie-stiekem zou een ambtsmisdrijf zijn. En volgens de wet kan alleen het parlement besluiten dat parlementariërs of bewindslieden strafrechtelijk vervolgd moeten worden. Het dagelijks bestuur van de Kamer besloot na een ochtend vergaderen om een commissie in te stellen die nader onderzoek moet doen – een unicum in de recente parlementaire geschiedenis.

Punt is alleen dat Diederik Samsom zelf niet is gehoord door het OM. Voor de NRC-redacteur die het artikel schreef naar aanleiding waarvan de aangifte is gedaan, geldt hetzelfde. Volgens het OM zijn „enkele personen gehoord” – de commissie-stiekem bestaat uit tien fractievoorzitte rs.

Samen roepen deze feiten de vraag op hoe voldragen het onderzoek van het OM eigenlijk was. En „in beeld” zijn, zoals het OM zegt, blijft iets wezenlijk anders dan verdacht zijn.

Hoewel in een klassieke whodunit er meestal inderdaad één dader is, spreekt het NRC-artikel bovendien over „bronnen”, in meervoud. Maar die complicerende factor kwam gisteren in de mediarechtszaal even niet goed uit.

Het begon met onjuiste uitspraken

De kwestie in het kort. In februari 2014 moest minister Ronald Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) in de Tweede Kamer uitleg komen geven over zijn onjuiste uitspraken over het verzamelen van telefoondata, in tv-programma Nieuwsuur. Het ging hard tegen hard. D66-leider Alexander Pechtold diende een motie van wantrouwen tegen Plasterk in, waarin onder andere stond dat de Tweede Kamer niet geïnformeerd was. Acht oppositiepartijen steunden de motie. Diederik Samsom was na het debat ontzettend boos, voor alle camera’s zichtbaar.

Maar uitspreken waarom hij zo getergd was, dat kon Samsom niet. Alles wat in die commissie-stiekem wordt besproken, is nu eenmaal geheim. In de weken rond het debat kwam de commissie-stiekem vijf keer bijeen, staat in het jaarverslag van de commissie over 2014. Die bijeenkomsten gingen specifiek „over de informatievoorziening aan de commissie betreffende dit onderwerp”. 

In welke sfeer die gesprekken verliepen, laat zich raden. Dus toen De Telegraaf begin deze week onthulde dat het OM onderzoek deed naar de zaak, waren die gevoelens van irritatie zo weer terug. Ja, het wás toch ook belachelijk hoe Plasterk zich destijds gedroeg, klinkt het bij de oppositie. Anderen proberen juist te bagatelliseren dat het onderlinge vertrouwen tussen de fractievoorzitters nu opnieuw een issue is. „Het zijn allemaal grote mensen”, klinkt het bijvoorbeeld. Of: „Daar zijn het te veel professionals voor.”

Nu moet een groepje Kamerleden voor het eerst in de recente parlementaire geschiedenis onderzoeken of er reden genoeg is om over te gaan tot vervolging van „één of meer” van hun eigen fractieleiders bij de Hoge Raad.

De onderzoekscommissie mag daarbij, net als bij parlementaire enquêtes gebruikelijk is, mensen onder ede verhoren. Alleen: iedereen op het Binnenhof weet dat het de Rijksrecherche nog nooit is gelukt om een lek op te sporen in de Tweede Kamer. Neem het traditionele lekken van de Prinsjesdagstukken. Of het onderzoek naar het GroenLinks-Kamerlid Linda Voortman, vorig jaar, in de affaire rond de Nationale Ombudsman. Dat liep ook uit op een mislukking.

Binnen drie maanden klaar

In de brief die het dagelijks bestuur van de Tweede Kamer gisteravond stuurde over de onderzoekscommissie, staat dat het onderzoek naar de vraag of er wel of geen vervolging moet plaatsvinden, binnen drie maanden moet zijn afgerond. „Snelheid is geboden.” Die tijdsdruk onderscheidt deze zaak wél van de onderzoeken van de Rijksrecherche, want daar kun je zomaar jaren niets meer van horen.

Begin volgende week al moeten de fracties hun Kamerleden voordragen. Dat moeten „liefst leden met een juridische achtergrond” zijn, staat er droogjes bij. Ga er maar aan staan als Kamerlid: zelf de detective moeten spelen in zo’n politiek gevoelige affaire.

Lees ook: Vervolging, dat zou uniek zijn