Oorlogsdreiging vraagt om echte keuzes voor krijgsmacht

Het was een haast terloopse mededeling van minister Hennis (Defensie, VVD) gisteren in de Tweede Kamer tijdens het debat over haar begroting: „Meer dan in de afgelopen twee decennia moet rekening worden gehouden met een crisis in het kader van artikel 5.” Zij doelde hiermee op het NAVO-verdrag dat stelt dat een aanval op een lid van het bondgenootschap moet worden beschouwd als een aanval op alle NAVO-landen. Haar woorden illustreerden hoe de geopolitieke verhoudingen de afgelopen jaren zijn veranderd.

Het blijkt ook uit de uitgaven voor de krijgsmacht die na jarenlange bezuinigingen niet meer omlaag gaan, maar structureel worden verhoogd. Voor het komend jaar gaat het om 220 miljoen euro; een bedrag dat oploopt naar 345 miljoen in 2020. Verhogingen die de eerdere bezuinigingen maar zeer ten dele tenietdoen. En ook zit Nederland nog altijd ver af van de norm van de NAVO die zegt dat de uitgaven aan defensie 2 procent van het bruto binnenlands product zouden moeten bedragen. Overigens voldoen de meeste NAVO-lidstaten niet aan deze norm.

Over de noodzaak van een hoger defensiebudget bestaat in het parlement een brede politieke consensus. Het komt er nu op aan het extra geld dat de komende jaren naar de krijgsmacht gaat, ook verstandig en doelmatig te besteden. In de Tweede Kamer vielen tijdens de begrotingsbehandeling enkele malen de woorden ‘omgekeerde kaasschaaf’. Zoals de kaasschaaf in het Haagse jargon de metafoor is voor generiek bezuinigen zonder echte keuzes, staat de omgekeerde kaasschaaf voor generieke verhogingen zonder echte keuzes. Zo moet het dus niet. Een plan is nodig.

De opdracht om elke euro zo efficiënt mogelijk uit te geven, blijft volop aanwezig. Hoewel er meer geld bij komt, behoort kostenbesparing, te bereiken bijvoorbeeld door veel meer Europese samenwerking, nog steeds een prioriteit te zijn. Dat op dit terrein zo weinig voortgang wordt gemaakt, heeft mede te maken met de grilligheid van de defensiebudgetten en de daarmee verband houdende plannen in de diverse Europese landen.

Een ruime meerderheid van de Kamer wil daarom onderzoeken of meer rust in de begroting kan worden gebracht door te gaan werken met meerjarige defensieplannen. Hierbij kunnen de nodige vraagtekens worden gezet. Zo’n plan dient rekening te houden met belangrijke randvoorwaarden. Zo moeten nieuwe politieke werkelijkheden kunnen leiden tot andere keuzes. Ook zal de krijgsmacht flexibel moeten kunnen reageren op de snel veranderende strategische en technologische ontwikkelingen. Een meerjarenplan dat fungeert als molensteen kan toch niet de bedoeling zijn.