Ook bij TTIP pleit ik voor handel én hulp

Handelsverdringing door TTIP valt mee, leert Lilianne Ploumen uit onderzoek. Menig Afrikaans land profiteert.

De onderhandelingen over het Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP), het handelsverdrag tussen VS en EU, duren nu al twee jaar. Het kabinet streeft naar een fair en evenwichtig verdrag, dat recht doet aan de belangen en wensen aan beide zijden van de Oceaan maar ook rekening houdt met die van derden, en dan vooral ontwikkelingslanden. Want een modern handelsverdrag is erop gericht om de eigen burgers optimaal te bedienen met welvaart, banen, goedkopere producten en minder regels – níet om anderen buiten te sluiten of te benadelen.

Zo’n ‘handelsverdrag 2.0’ is vorm aan het krijgen. ISDS, het systeem om geschillen over investeringen te beslechten dat al zestig jaar deel uitmaakte van vrijwel alle verdragen, wordt ingrijpend gemoderniseerd. Het nieuwe systeem garandeert de handelingsvrijheid van overheden en maakt de beslechting transparanter.

In de onderhandelingen hamert Nederland op de belangen van ontwikkelingslanden. Gelijkschakeling van bepaalde toelatingsprocedures voor de EU en de VS zouden ook voordelen voor zulke landen meebrengen; voor hun export naar de twee grootste economische machtsblokken geldt voortaan slechts één set regels. Bovendien dringt Nederland er op aan om regels over de herkomst van een product – oorsprongsregels – steeds zó uit te leggen dat de armste landen er altijd het grootste profijt van hebben. Ook wil Nederland onderzoeken hoe de VS en de EU elkaars voorkeursbehandelingen van de armste landen zoveel mogelijk kunnen gelijkschakelen.

Evengoed bleven er toch zorgen over andere gevolgen van TTIP voor ontwikkelingslanden. Zoals ‘handelsverdringing’; als de VS en de EU voor elkaar goedkoper worden, kan dat ten koste gaan van import van elders. Ik vroeg de Rijksuniversiteit Groningen onderzoek te doen, de uitkomsten: een ambitieus handelsverdrag zal een beperkt maar overwegend positief effect hebben op de meeste lage-inkomenslanden. In veel lage-inkomenslanden zijn de verdringingseffecten beperkt omdat juist die landen relatief weinig handel drijven met de EU en de VS. Tegelijk zullen vooral Afrikaanse landen met sterke handelsrelaties met de EU meeprofiteren van de inkomensgroei die TTIP naar verwachting in Europa brengt.

Dit sluit aan bij eerder onderzoek. Het Centre for Economic Policy Research kwam zelfs uit op een gezamenlijke stijging van het Bruto Binnenlands Product van alle derde landen samen ter hoogte van 86 tot 89 miljard euro. Andere onderzoeken, door het Britse CARIS en een onderzoeker van de Duitse Bertelsmann Stiftung, zitten veel dichter tegen het Groningse onderzoek. Zij komen gemiddeld uit op licht negatieve effecten maar laten de mogelijkheid open dat zogenoemde spillover-effecten de balans alsnog positief maken.

Al met al zie ik deze uitkomsten als een bewijs dat we op de goede weg zijn naar een fair TTIP en een ‘handelsverdrag 2.0’ waarvan ook derde landen voordeel hebben. Maar het is niet meer dan een goed begin; ‘beperkte positieve effecten’ zijn onvoldoende als het gaat om arme landen. Bovendien zijn er ook nog landen die mogelijk te maken krijgen met negatieve effecten, hoe licht ook. Onder meer Honduras, Cambodja, Tsjaad en Haïti hebben nu onvoldoende aansluiting op de internationale handel om te profiteren. Ik treed met de OESO en UNCTAD in overleg om die landen te helpen bij het wegnemen van zulke handelsbarrières.

Dat past in de opzet van TTIP zoals die Nederland voor ogen staat en waarvan de Groningse onderzoekers constateren dat die de positie van lage-inkomenslanden verder kan verbeteren. Ondertussen geven we ook op andere manieren economische steun, door zowel via de WTO als regionaal of via bilaterale akkoorden ontwikkelingslanden zoveel mogelijk voordeel toe te kennen.

Hulp en handel, inderdaad. Ik weet wat me te doen staat: recht-zo-die-gaat, met nog een tandje d’r bij.