Mensen die hun huis, taal en dagelijks leven kwijt zijn

Juurd Eijsvoogel schrijft iedere vrijdag op deze plaats over internationale kwesties.

De in Duitsland geboren Amerikaanse politiek denker Hannah Arendt.

Uit de stroom, nee de tsunami van artikelen over vluchtelingen is er één zinnetje dat me bijzonder opviel. Het stond vorige week in het weekblad Die Zeit. De auteur rekent zichzelf tot het reactionaire kamp in het vluchtelingendebat. In redactievergaderingen maakt ze zich sterk voor uitzettingen, schrijft ze. En ze windt zich op als mensen doen alsof de komst van de asielzoekers geen problemen veroorzaakt.

Maar ze schrijft ook: „Als dezer dagen op tv wordt bericht over vluchtelingen, en gesproken wordt over opvang, voeding en mobiele toiletten, dan vergeet men vaak: geen van deze vluchtelingen zal zich ooit nog ergens thuis voelen.”

De schrijfster van het stuk, de politiek journalist Mariam Lau, spreekt uit eigen ervaring. Of beter: uit haar eigen ervaring met haar vader, een Iraniër die „ooit de beroemdste vluchteling van Duitsland” was. Deze Bahman Nirumand was een linkse activist die in de jaren zestig het Iran van de sjah ontvluchtte. In Duitsland schreef hij over de martelingen en andere wandaden van die dictatuur een boek, dat een groot succes werd in de activistische Duitse studentenbeweging van die jaren. Het gold als bewijs voor de verwerpelijkheid van het Westen en vooral van de Verenigde Staten, die de sjah immers in het zadel hadden geholpen.

Na diens omverwerping in 1979 keerde Nirumand naar zijn vaderland terug. Zijn in Duitsland opgegroeide dochter, net achttien, bezocht hem een jaar later in Teheran. Ze had haar vader nog nooit zo gelukkig en uitgelaten gezien – ook al was al duidelijk wat voor schrikbewind de revolutie had opgeleverd. Al snel moest Nirumand opnieuw vluchten.

Elke vluchteling heeft een eigen, vaak interessant verhaal. Dat van Nirumand is bijzonder. Maar interessanter is eigenlijk het verhaal van zijn dochter. Dat laat beter zien wat het betekent om vluchteling te zijn, wat die verwarrende ervaring kan betekenen voor de rest van je leven, voor je kinderen.

Mariam raakte van haar vader vervreemd. Hoe gastvrij hij ook was opgevangen in Duitsland, voor hem bleef het Westen altijd verbonden met imperialisme en ander kwaad. Voor haar onbegrijpelijk. Ook kon ze niet verkroppen dat zijn politieke idealen altijd belangrijker voor hem bleven dan zijn familie. Zijn ontworteldheid domineerde zijn bestaan. Zij wilde alles dus anders doen en verdrong zijn hele vluchtelingengeschiedenis.

Tot de huidige crisis. Die heeft de twee weer bij elkaar gebracht. Op reportage in een asielzoekerscentrum zag de dochter een schoolbord waarop met krijt in het Perzisch ‘Goedemorgen’ was geschreven. Dat maakte opeens herinneringen bij haar wakker die ze lang had weggestopt. Ik ben de dochter van een vluchteling, besefte ze weer.

Vanaf dat moment zag ze het probleem van de vluchtelingen niet meer louter in politieke termen. Ze kreeg meer oog voor de menselijke kant. Ik ben nog steeds reactionair, schrijft ze, maar in de stroom vluchtelingen herken ik nu individuele gezichten. „Ik zie mannen die niet meer weten wie ze zijn.”

In 1943 schreef de uit nazi-Duitsland gevluchte Joodse politieke denker Hannah Arendt in haar essay We Refugees: „We zijn ons huis kwijtgeraakt, en daarmee de vertrouwdheid met het dagelijks leven. We zijn ons werk kwijtgeraakt, en daarmee het vertrouwen dat we enig nut hebben in deze wereld. We zijn onze taal kwijtgeraakt, en daarmee de natuurlijkheid van reageren, de eenvoud van gebaren, de ongedwongen uitdrukking van gevoelens. We hebben onze familieleden in de Poolse getto’s achtergelaten en onze beste vrienden zijn vermoord in concentratiekampen – en dat betekent dat ons privéleven verscheurd is.”

Het zijn ervaringen die, nu zonder getto’s en concentratiekampen, miljoenen ervaren of nog gaan ervaren. Ze leven in ons midden. Ze hebben problemen, maar ook verhalen. Die kunnen niet genoeg worden verteld en beluisterd.