Laat toezicht houden niet aan politici over

Fraude met overheidsgeld bij verzelfstandigde overheidsbedrijven los je niet op door meer overheidstoezicht, betoogt Frank de Kruif.

Het Meavita-drama dat vorige week zijn ontknoping kende en VVD-senator Loek Hermans de kop kostte, is niet de eerste ontsporing van een instelling die zich beweegt op het breukvlak van publieke en private taken. Ook Rotterdam heeft zijn affaires gehad. Het derivatendebacle waaraan woningbouwcorporatie Vestia bijna ten onder ging en ook het aannemen van smeergeld door een kasbeheerder van Havensteder uit 2005 passen in dat rijtje. Een andere is het havenschandaal, waarbij banken voor ongeveer 100 miljoen euro het schip in zijn gegaan, omdat de door de directeur van het Havenbedrijf Rotterdam verstrekte garanties voor leningen aan het RDM-concern van zakenman Joep van den Nieuwenhuijzen waardeloos bleken te zijn.

Zodra maatschappelijke en commerciële belangen zich mengen, is het uitkijken geblazen. De lijst van bestuurders die zich met zorgpremies, bouwsubsidies of belastinggeld te buiten zijn gegaan, is lang.

Ik heb mij de afgelopen jaren verdiept in het havenschandaal en wat mij frappeert zijn de grote overeenkomsten met andere affaires waarbij publiek-private organen zijn betrokken. Het patroon is steeds: een terugtredende overheid zet aan haar gelieerde instanties op afstand, in de veronderstelling dat een of andere vorm van marktwerking ze goed zal doen. Ze benoemt mensen die passen bij een ondernemende overheid, mensen die zichzelf ook meer als ondernemer zien dan als ambtenaar. Deze bestuurders gedragen zich ook als ondernemer, met dit verschil dat ze een doorgaans grote en zekere inkomstenstroom hebben vanuit of naar diezelfde overheid. Die stroom blijft op gang omdat hun organisatie de publieke taken moeten nu eenmaal worden uitgevoerd.

Hierdoor vervaagt het zicht op de risico’s die zij nemen. Het kan snel misgaan, zeker als de controlerende tegenmacht niet goed is geregeld (op papier) of niet goed functioneert (in de praktijk). Toezicht is cruciaal, en het gangbare idee is dat een overheid die taak beter kan uitoefenen als zij dit soort semi-publieke instellingen weer dichter naar zich toe trekt.

Bij het havenschandaal was juist het omgekeerde aan de hand. Havendirecteur Scholten nam en kreeg zijn vrijheid toen het Havenbedrijf onder de gemeente viel. Hij droeg bij aan een cultuur waarin het normaal werd dat de havenwethouder en de gemeenteraad niet werden geïnformeerd, als de directeur van de haven dat niet nodig vond, of niet wenselijk. Wethouder en raad lieten dat gebeuren, omdat de havendirecteur zo succesvol was. Willem Scholten heeft hierover zelf achteraf verzucht: „Hadden ze me maar beter gecontroleerd.”

In 2004 werd het Havenbedrijf Rotterdam verzelfstandigd en kreeg baas Scholten een raad van commissarissen boven zich. Uiteindelijk hebben de commissarissen acht maanden na hun aantreden Scholten weggestuurd. Een beslissing, die wellicht anders was uitgevallen als het Havenbedrijf nog een gemeentelijke dienst was geweest. Dan waren de onterecht afgegeven garanties mogelijk beperkt gebleven tot een interne politieke affaire, met bijbehorende neiging om de zaak in de doofpot te stoppen.

Of dat zou zijn gebeurd, zullen we nooit weten. Maar nu de slinger weer terugslaat naar meer directe bemoeienis van de overheid – en dus van de politiek – is een waarschuwing op zijn plaats: toezicht houden is een vak. Een vak dat beter niet moet worden overgelaten aan politici die per definitie passanten zijn en op wie de invloed van de ondoorzichtige vierde macht groot is. Laat het liever over aan een goed geïnformeerde en helder communicerende raad van commissarissen. Een raad dus waarin niet te veel commissarissen van het type Loek Hermans zitten.