Hondstrouw tot het eind

De dagboeken van de secretaris van Wilhelm II tijdens diens Nederlandse ballingschap geven een fascinerend inkijkje in het dagelijks leven van een gefrustreerde keizer.

Doorn, 1930: Wilhelm II pauzeert tijdens het houthakken. Links van hem, met bijl,Von Ilsemann Foto Süddeutsche Zeitung Photo/HH

In de nacht van 9 op 10 november 1918 verlaat keizer Wilhelm II per trein het Belgische Spa waar het Duitse opperbevel is gevestigd. In zijn gezelschap een groot aantal hoge militairen, hoogwaardigheidsbekleders en bedienden. De Duitse legers geven zich over of trekken zich in wanorde terug, in Berlijn is opstand. Slaat de keizer vrijwillig op de vlucht of heeft de legertop hem tot aftreden gedwongen om erger te voorkomen?

Deze vragen zullen Wilhelm II de rest van zijn leven tot op het obsessionele bezighouden. Verongelijkt geeft hij tegen beter weten in iedereen de schuld van de nederlaag, behalve zichzelf. En waar moet hij heen? Het blijft lang onzeker. Het gezelschap stapt al snel over op auto’s, de trein is te onveilig, en bereikt Eijsden, net over de Nederlandse grens. De keizer loopt er urenlang over het perron heen en weer, in afwachting van toestemming om Nederland binnen te komen.

Minder bekend is dat de inwoners van Eijsden te hoop liepen, hem uitscholden en met stenen en modder bekogelden. Hij bleef er stoïcijns onder en ging terug naar de trein die hem was nagereisd. Dan komt het verlossende woord: hij mag Nederland in, op voorwaarde dat hij zich niet inlaat met politiek, geen contact zoekt met ons koningshuis en de Nederlandse wet respecteert.

In Wilhelms gezelschap bevindt zich de 34-jarige kapitein Sigurd von Ilsemann. Hij zal de keizer trouw blijven tot aan diens dood in 1941. In Huis Doorn, waar Wilhelm in 1920 belandt, begint Ilsemann aan een dagboek. Hij houdt het tot zijn zelfmoord in 1952 vol. Zo schrijft de gebeurtenissen tussen 9 en 11 november 1918: ‘Ik daarentegen zou in Nederland blijven en daar mijn geluk vinden.’

Walmen van treurnis

Dat laatste mag worden betwijfeld. Weliswaar trouwt Ilsemann boven zijn stand met Elisabeth Bentinck, de dochter van graaf Bentinck, eigenaar van kasteel Amerongen waar de keizer tot 1920 woont, maar op veel pagina’s van zijn dagboek walmen de treurnis, de verveling en de wanhoop je tegemoet. Bovendien wordt hij gekweld door een chronische darmziekte. De lange avonden aan het kleine, maar zeer verplichtende Doornse hof, waar de verveling toe begon te slaan en waar hij altijd, als assistent en secretaris van de keizer, aanwezig moest zijn, werden hem vaak te veel. Dat levert fraaie scènes op. Steeds dezelfde urenlange kletsverhalen van Wilhelm aan te moeten horen, die soms vier tot vijf uur aan een stuk aan het woord was en kwaad werd als je hem onderbrak. Vaak vielen gasten in slaap, maar wee je gebeente als de keizer het merkte. Of neem zijn woedeaanvallen, beledigingen, banale grapjes, eeuwige moppentapperij en voorleessessies. De keizer bezat een grote hoeveelheid romans van P.G. Wodehouse. Hij las er vaak uit voor. Toch verrassend, want Wodehouse is een geestige en fijnzinnige schrijver; van mij mag je daar best een tijdje uit voorlezen, maar niet iedere avond en vijfentwintig jaar lang.

Maar er viel voor de keizer en zijn hofhouding in Doorn nu eenmaal bitter weinig te doen. En dat voor iemand die gewend was aan gemiddeld drie parades per dag, aan honderden medaille-uitreikingen en andere ceremonies per jaar, aan grootse ontvangsten, waarbij steeds een nieuw uniform moest worden gedragen, aan jachtpartijen, aan familiegekonkel, aan politieke strapatsen, aan legeroefeningen. Dat was er in Doorn niet bij, maar de keizer bleef een druktemaker. Ilsemann werd er soms gek van.

Ter compensatie van het dodelijke nietsdoen begon de Hoge Heer, zoals Ilsemann hem ironisch noemt, zich in de tuinen van Amerongen en Doorn toe te leggen op tuinieren, waarbij boomzagerij de hoofdmoot vormde. Tienduizenden bomen moesten eraan geloven, Ilsemann schrijft er ingehouden passages over. Je hoort hem zuchten.

Dit dagboek is een mijlpaal. Er was al eerder een vertaling, maar daarbij ontbrak een goede inleiding. Die is er nu wel en ook de vertaling is grondig herzien. Voor wie wil weten hoe het aan vorstenhuizen destijds toeging is dit een absolute must, ik kreeg er soms de slappe lach van. Maar ook voor geïnteresseerden in de Nederlands-Duitse geschiedenis is dit geweldig.

Oeverloos geklets

Ilsemann schrijft uitstekend, al twijfelt hij er zelf soms aan. Zijn ingehouden gevoel voor humor is aanstekelijk. Al dat gedoe in Doorn, die stemmingmakerij over politiek en maatschappij, dat oeverloze geklets over minieme kwesties waar je nu verbaasd van opkijkt, Ilsemann is er als de kippen bij om er een mooie ironische ondertoon aan toe te voegen.

Dat dit dagboek in 1967-’68 in Duitsland werd uitgegeven mag een raadsel heten. De erven van de keizer wisten het destijds blijkbaar niet tegen te houden. Gelukkig maar. Ilsemann is regelmatig vernietigend over Wilhelms politieke onbenul. Bovendien geeft hij niet bepaald een gunstig beeld van deze opvliegende, snel gekwetste, kwetsbare en egocentrische figuur, die soms drie keer per dag van standpunt veranderde en geen goed woord over had voor zijn kinderen.

Tegelijkertijd is dit een ontroerend werk. Hoe veel bezwaren Ilsemann ook heeft tegen de keizer, toch blijft hij het altijd voor hem opnemen. Hij heeft met hem te doen, hij wil hem beschermen tegen de vele kwaadaardige raadgevers die in Doorn de deur plat lopen. Hij is hem werkelijk trouw. Dit maakt van dit dagboek meer dan het zoveelste verslag van iemand die ‘erbij was.’ Die trouw was wederzijds. De keizer zette heel wat dienaren in de loop van de tijd aan de kant, maar Ilsemann (Ilsemannetje, noemde hij hem af en toe liefdevol) mag, nee, moet altijd blijven. Zelfs als hij de keizer tegenspreekt, wat anderen maar al te snel met grootscheepse scheldpartijen of ontslag moesten bezuren. Dit maakt van dit dagboek niet alleen een historisch belangwekkend, maar ook een tragisch document.