Column

Het referendum en de prijs van Brits comfort

Dinsdag stuurde Cameron de lang verwachte brief naar de andere Europese leiders met zijn eisen voor het Britse EU-lidmaatschap. Dezelfde dag legde hij zijn thuispubliek uit waarom hij, als de onderhandelopzet slaagt, „met hart en ziel” campagne vóór blijven zal voeren. Blijkbaar begint mét de Brusselse onderhandeling meteen ook de Britse referendumcampagne. Alleen al praktisch zijn ze niet te scheiden: officiële stukken lekken snel, dus zodra de regering in Londen iets voor de partners op papier zet, staat het in de krant en bemoeit iedereen zich ermee.

Toch verschilt de inzet van onderhandeling en referendum wezenlijk. Bij het referendum – misschien al in juni 2016 – staan de Britten voor een grote keuze: blijven of vertrekken, met alle gevolgen voor welvaart en veiligheid van dien. Het is, zoals Cameron zelf zei, wellicht de belangrijkste vraag die ze hun hele leven in het stemhokje krijgen. Daarbij vergeleken lijkt de onderhandelinzet priegelig en technisch; garanties voor niet-eurolanden, een verheven zinnetje tussen haakjes, meer controle op binnenkomers uit EU-landen. Moet voor die punten zoveel op het spel worden gezet? De verklaring ligt deels in de Londense politieke dynamiek. Cameron kan het grote referendum alleen winnen als hij eerst zijn sceptische Conservatieve Partij overtuigt met trofeetjes uit Brussel: dat effent het pad vervolgens naar invloedrijke kranten, en vandaar naar de kiezers. Althans dat is het plan.

Vanuit de overkant van de Atlantische Oceaan wordt met lichte verbijstering naar Camerons gok en het Britse debat gekeken. De Amerikanen begrijpen niet dat hun belangrijkste Europese bondgenoot begint aan een sessie van intensieve nationale navelstaarderij op een moment dat zij in Washington met serieuzere problemen bezig zijn: de opkomst van China, de anarchie in het Midden-Oosten, het bewaren van een trans-Atlantische liberale orde. Van afstand bezien gaat het debat niet om de belangen van de Londense City of Pools uitkeringstoerisme, maar om de Britse identiteit, de plaats van het land in de wereld, om angst voor het onbekende. Zelf zien de Engelsen dat niet. Ze vinden zichzelf juist heel pragmatisch. Cameron deze week: „Zoals de meeste Britten benader ik deze kwestie met een pragmatische, geen emotionele instelling. Hoofd, niet hart. (..) Zo zijn we nu eenmaal. (..) Rigoureus praktisch. Koppig met beide benen op de grond. Van nature debunkers. Voor ons is de EU een middel en geen doel.” Ja, maar waarom dan zoveel geriskeerd? Is iemand die van ruzietjes over afwas opruimen, wc-bril omhoog en tuinhek dicht de inzet van een echtscheiding maakt pragmatisch of emotioneel?

Toch beseft Cameron beter dan wie ook dat het uiteindelijk om psychologie draait – of dat nu hoofd of hart is. Zelf zei hij vaak dat de Britten zich in de EU „comfortabel” willen voelen. Daarbij denken de Britten wel strategisch vooruit; verder vooruit dan veel andere EU-landen. Je vandaag comfortabel voelen in een club betekent voor de Engelsen niet morgen voor verrassingen komen te staan. Vandaar hun zorgen over de eurozone.

Fricties tussen de negentien eurolanden en negen niet-eurolanden in de EU zijn tot nu toe steeds opgelost. Maar in de Britse analyse moet de eurozone onherroepelijk verder integreren. Misschien niet volgend jaar al, maar zeker tussen nu en twintig, dertig jaar. Ze willen nu al zeker weten dat ze daarbij niet „verstrikt raken” in een politieke unie. Want zoals Camerons verre voorganger Anthony Eden, toen minister, al in 1952 in het Lagerhuis zei: „This is something we know, in our bones, we cannot do.” Het gevoel begint bij de Britten in de botten.