Het gevoel een mislukking te zijn

‘Als je pech hebt in het leven, heb je mazzel dat je in Amsterdam woont, wij laten niemand in de steek.’ Het was een van de campagnezinnetjes die PvdA-lijsttrekker Pieter Hilhorst begin 2014 onvermoeibaar rondstrooide. Het droevige is: dit geldt niet voor de Amsterdammer Hilhorst. Die had de pech dat hij uitgerekend op dat moment, uitgerekend in Amsterdam, uitgerekend de PvdA de verkiezingen in moest leiden.

Hoewel: alleen pech? Als politieke nieuwkomer en opvolger van Lodewijk Asscher stapelde hij fout op fout en liet hij zijn tegenstanders in de debatten prijsschieten. Hilhorst is de eerste PvdA-leider in Amsterdam die zijn partij niet de grootste kon maken en trad daarop af.

Zijn pech, zijn fouten en wat we daarvan kunnen leren, tekende Hilhorst vlotjes op in De belofte. Hij dacht dat hij als columnist en gespreksleider met interesse in politiek en met zijn idealisme wel bestuurder en partijleider kon worden. Hij vergiste zich. Hij kan in De belofte genadeloos voor zichzelf zijn, hij noemt zichzelf ‘ijdel’ en komt uit voor zijn vergissingen. Maar toch vindt hij vooral: ‘Een campagne is wat je overkomt, terwijl je een ander verhaal wilt vertellen.’

Wat je overkomt – zo ziet Hilhorst ook de blunder die zijn belastingdienst een paar maanden voor de verkiezingen maakte. Als wethouder was hij verantwoordelijk voor het overmaken van 188 miljoen euro aan toelagen, in plaats van de 1,88 miljoen die het moest zijn. ‘Vette, vette pech’, noemt hij dit.

Kan zo zijn, maar zijn reactie op de blunder is zijn eigen verantwoordelijkheid. Hij liet zich geruststellen door zijn ambtenaren, informeerde de burgemeester te laat en had een bestedingslimiet moeten invoeren. Het boek wemelt hier van de ‘had moeten doen’-zinnen. Hij deed het allemaal niet.

In verkiezingsdebatten probeerde Hilhorst te laten zien dat hij wel degelijk verstand had van financiën. Het dieptepunt was een debat waar hij rekensommen maakte en gewichtige stadhuisbegrippen liet vallen als ‘achtmaands rapportage’. Dit tot afgrijzen van zijn campagnemedewerkers die wanhopig tegen deze krant zeiden dat zij hem dit juist hadden afgeraden. Hilhorst noteerde die nacht in zijn dagboek: ‘Op dit moment ben ik bijna misselijk van het gevoel van mislukking. En kan ik eigenlijk alleen maar denken: over drie weken is het voorbij.’

Hilhorst geeft in het boek meer voorbeelden van zijn onmacht. Deze lijsttrekker, die er nauwelijks in was geslaagd zijn ideeën voor ‘sociale veerkracht’ te laten opnemen in het program van de partij die hij moest leiden (‘ik heb me te bescheiden opgesteld’), kon niet eens de verkiezingsposter krijgen die hij wenste. ‘Campagne voeren met mijn hoofd zou haaks staan op mijn wens van een politiek van onderop’, schrijft hij. Maar helaas: ‘Een keuze voor alleen slogans betekende wel dat we het in Amsterdam anders zouden doen dan de partij elders in het land deed. [...] We besloten uiteindelijk toch om met een foto van mij campagne te gaan voeren.’

Rooie Pieter – toch een beetje de bolsjewiek die het Winterpaleis bestormt, maar op de drempel zijn voeten veegt en zegt: zouden we niet eerst aanbellen?

Hilhorst noemt zichzelf een politicus die ‘een ander soort politiek’ en ‘een ander soort debatstijl’ voorstaat: dat is geen zelfkritiek, dat is zelfpromotie. Hij vindt de andere politici namelijk minder, al waakt hij ervoor het met zoveel woorden op te schrijven.

Hilhorst is domweg te kort en te onsuccesvol politicus geweest om zijn ex-collega’s de maat te mogen nemen. Hij vertelt hoe een rivaal voor het wethouderschap, stadsdeelbestuurder Martien Kuitenbrouwer, hem voor de beslissende vergadering van de PvdA-fractie belde om te zeggen dat zij meer steun genoot dan hij. Hilhorst ging de fractie ‘niet vertellen wat ik waard was, maar laten zien wat ik waard was. […] Toen ik aan de beurt was, stond ik op van mijn stoel en hield uit mijn hoofd een toespraak over de noodzaak van een politiek van nabijheid. […] Later heb ik gehoord dat mijn concurrenten waren blijven zitten en dat zij hun verhaal van papier lazen.’

Wie niet beter weet, ziet Kuitenbrouwer dan als een apparatsjik die haar energie gebruikt om te netwerken. Maar zij was een van de vindingrijkste bestuurders. Ook een idealist zal in het stemhokje uiteindelijk worden beoordeeld op zijn vermogen werkelijk iets te betekenen voor de kiezers. Niet op het vermogen uit het hoofd te speechen.