Groot-Brittannië tussen Dickens en Dracula

In zijn elfde roman willen alle personages ontsnappen aan het kille Groot-Brittannië van New-Labourleider Tony Blair. Ze verlangen daarom terug naar een niet-bestaande tijd waarin alles beter was.

Foto iStock

Tien romans schreef Jonathan Coe, waaronder het drietal dat hem tot een van de vooraanstaande Engelse schrijvers maakte: What a Carve Up! (1994, over de Greedy Eighties), The Rotters’ Club (2001, over de tegenstrijdige jaren zeventig) en The Terrible Privacy of Maxwell Sim (2010, over de eenzame jaren nul).

In nummer elf concentreert hij zich op de tijd die net achter ons ligt, het decennium van groeiende inkomensverschillen, desastreuze inmenging in Irak, meedogenloze realityshows en rendementsdenken in de gezondheidszorg. Niet verwonderlijk verlangen bijna al zijn personages naar een imaginair verleden, naar een tijd dat het leven in Groot-Brittannië ‘beter, eenvoudiger, makkelijker’ was.

Dat geldt zelfs voor Rachel, die als twintiger een beetje jong is voor nostalgie naar de tijd dat ze bij opa en oma op het platteland logeerde en Enid Blyton-achtige avonturen beleefde. Maar Rachel is zoekende, een middenklassemeisje dat met een beurs afstudeerde in Oxford en daarna niet weet wat ze met haar leven aan moet. Ze krijgt een baantje als bijleslerares bij een puissant rijke familie, die met de even welgestelde buren in haar Londense wijk in een wedloop verwikkeld is om zoveel mogelijk verdiepingen onder het huis te bouwen. Als de werklieden een gat hebben gegraven van dertig meter diep, en zijn aangekomen bij etage min-elf, beginnen er vreemde dingen te gebeuren.

Sociopaten

Het verhaal van Rachel is maar een van het half dozijn dat Coe in Number 11 vertelt. We maken ook kennis met haar arme half-Caribische vriendin Alison, wier moeder na een carrière als one hit wonder geslachtofferd wordt in de Britse versie van Expeditie Robinson; met een filmhistoricus die als een bezetene een film najaagt die hij als jongetje op televisie heeft gezien; met een detective die er een geheel nieuwe manier van deduceren en combineren op nahoudt; en met een aantal sociopaten die op de een of andere manier gelieerd zijn met de even adellijke als infame Winshaws – een familie die we nog kennen uit What a Carve Up! (‘Het moordende testament’).

In het verweven van verhaallijnen is Coe een meester, het maakte zijn beste romans – waar ook The House of Sleep (1997) toe behoort – tot briljante hommages aan de maatschappelijke satires van Charles Dickens en Evelyn Waugh. En ook het teruggrijpen op eerdere romans is hem wel toevertrouwd, The Closed Circle (2004) was een meer dan geslaagd vervolg op The Rotters’ Club. Ook in Number 11 komen alle draadjes mooi bij elkaar, al had ik wat moeite met het fantasy-element dat aan het eind van de roman de kop opsteekt. Het is zwart, lichtschuw, bijtgraag en het komt uit Roemenië – Dracula in een alternatief jasje.

Humor en vaart

Coe houdt wel van een beetje horror – What a Carve Up! eindigt met een massamoord in een vervallen landhuis – maar zijn eigenlijke doel is een meedogenloos portret van Groot-Brittannië na de New Labour-revolutie. Een land waarin opa geen kankerbehandeling krijgt omdat hij niet nuttig genoeg voor de samenleving is; waarin gerenommeerde prijzen er alleen zijn ter meerdere eer en glorie van de prijsuitreikers; en waarin grote delen van de rijke Londense buurten leeg staan omdat de eigenaars er maar een paar weken per jaar wonen óf omdat er met de huizen gespeculeerd wordt. Over díe horror gaat Number 11. Gelukkig dient Coe hem op met humor en vaart, zodat je als lezer niet terneergeslagen achterblijft – hoogstens omdat je zou willen dat de roman nog honderd pagina’s doorging. En voor de nostalgici onder ons: onder Thatcher in de jaren tachtig, of onder de Labourpremiers Wilson en Callaghan in de jaren zeventig, was het niet veel beter. Lees What a Carve Up! en The Rotters’ Club er maar op na.

    • Pieter Steinz