De godfather van de hardcore

Hardcore, of gabber, is Rotterdams erfgoed. Ontstaan in de jaren ‘90 en nog altijd ongekend populair. De Rotterdamse DJ Paul Elstak stond aan de basis van die muziekstroming en vertelt hoe hij het al 25 jaar volhoudt.

Foto Peter Hilz/Hollandse Hoogte Foto Peter Hilz/Hollandse Hoogte

Het zijn de drie H’s waar Rotterdam bekend om staat: de haven, de hoogbouw én de hardcore. Deze extreem snelle en agressieve elektronische dansmuziek, ook wel gabber genoemd, wordt sinds het begin van de jaren negentig in menig Rotterdamse studio gemaakt en in talloze discotheken gedraaid. Wereldwijd staat Rotterdam sindsdien bekend als de hoofdstad van de hardcore.

De godfather van deze scene is zonder twijfel Paul Elstak (49). Hij was medeverantwoordelijk voor de opkomst van de gabber en draait nog wekelijks op feesten. Hij is bovendien de geestelijk vader van zijn bekendste variant: happy hardcore, de zuurstokvariant van gabber met een springerige basdrum van 170 klappen per minuut, snelle pianomelodieën, zagende synthesizers en aanstekelijke zanglijnen. Elstaks grootste hits, Rainbow in the sky, Life is like a dance en Luv u more, zetten nog steeds hele generaties direct aan het dansen. Dit jaar viert hij zijn 25ste verjaardag in het vak.

Het verleden

Dat de geboren Hagenees in de muziek verzeild raakte, is geen toeval. Zijn vader was professioneel gitarist en Elstak groeide op met platen van David Bowie en Stevie Wonder. Toch leek het erop dat het anders zou aflopen toen hij na het VWO keurig rechten ging studeren in Leiden. Die studie liet hij echter enorm versloffen. „Na vier jaar had ik alleen wat vakken gehaald. Ik kon heel goed leren, maar ik voelde me in het studentenwereldje een vreemde eend in de bijt. Muziek en breakdancen trokken mij meer.” Zijn ouders waren daar niet dolenthousiast over, maar verboden het hem ook niet.

„Ik denk dat zij aanvoelden dat juist daar mijn passie lag. Tegenwoordig zijn ze apetrots.”

Elstak ging in die periode draaien in de Bluetiek-In, de populairste discotheek in Rotterdam van begin jaren ‘90. Ook werkte hij achter de toonbank bij Mid-Town Records, de platenzaak die aan de basis stond van de gabber. Deze stroming was een reactie op de langzame, warme house die in Amsterdam zo populair was. In Rotterdam viel het publiek massaal voor de veel snellere gabber, inclusief de typerende kaalgeschoren kop, bomberjacks met Nederlandse vlaggen, Nike Air-schoenen en drugs. Veel drugs. Dat moest ook wel, want gabber bestaat uit een basdrum die voorbij raast als een trein, agressieve vocalen, veel overstuurde geluiden en een minimum aan melodie. De muziek vormde de ideale soundtrack voor een industriële arbeidersstad als Rotterdam.

Parkzicht, de populaire discotheek schuin onder de Euromast, werd de hardcore-hemel. Dat kwam onder meer door de cassettetapes met mixen van de laatste gabberplaten die de uitsmijters verkochten.

„De meeste mixen had ik gemaakt. Daar kreeg ik belachelijk weinig geld voor, 25 gulden ofzo. Terwijl er via de kopieën duizenden en duizenden guldens verdiend werden!”

De haat

Elstak was één van de aanvoerders van de gabber, maar hij vond dat het te snel en te hard werd. „Je zag weinig meiden meer op feesten, terwijl dat er echt bij hoort. En ik vond juist melodieën tof.” Hij schakelde over naar de uit Schotland overgekomen happy hardcore, die in Nederland doorontwikkelde tot een mierzoete variant vol vrolijke deuntjes en energieke piano’s. Rond 1995 maakte hij klappers die hoog in de wereldwijde hitlijsten kwamen, maar financieel had het succes groter moeten zijn. „Het duurde lang voordat ik doorhad dat ik slechte deals afsloot. Ik kreeg bijvoorbeeld een afrekening van een ton. Dat vond ik mega! Later kwam ik erachter dat ik het tigvoudige had moeten krijgen.”

Dit muzikale succes namen de – vooral in de jaren 90 extreem conservatieve – gabbers hem niet in dank af. „Ik wist niet wat me overkwam toen ik allemaal negatieve reacties kreeg. De scene spuugde me uit omdat ik hits had. Daar snapte ik niets van. Je bent toch juist trots als jouw artiest op de radio komt? Maar dat mocht niet. Radio niet, tv niet, niets niet.”

Eén keer werd Elstak zelfs bekogeld. „Ik zou in Delft draaien op een kinderfeest en wat handtekeningen zetten voor de kids. Ik kom aanrijden, die kinderen staan te wachten, word ik opeens bekogeld met eieren en appels door gabbers met Bomberjackies van Rotterdam Terror Corps. Die kinderen huilen natuurlijk. We moesten gelijk de wagen weer in en vluchten.”

Er waren meer zwarte bladzijden in de geschiedenis van de hardcore, zoals de vermeende nazisympathieën van gabbers. Hoe vond Elstak, Indo-Surinaams van origine, dat? „Daar heb ik nooit last van gehad. Ik was een icoon voor hen.”

Maar hoe zat dat dan met die gabbers die Nederlandse vlaggen op hun bomberjack droegen en bij feesten de Hitlergroet brachten? „Dat verhaal klopt niet. Die jongens waren er gewoon trots op Nederlander te zijn. Een Surinamer met een Surinaamse vlag is geen racist. Een Marokkaan met een Marokkaanse vlag is geen racist. Maar een Nederlander met een Nederlandse vlag is opeens een racist? Dat is bekrompen Nederlands. Gabbers zijn geen racisten, het zijn gewoon gabbers. Anders zouden er wel heel veel racisten zijn.”

Het echte dieptepunt is voor Elstak de nog altijd smeulende strijd tussen Amsterdam-Rotterdam en Feyenoord-Ajax. „Ik moest een keer draaien in Zaandam. Vlak voordat ik begon, hoorde ik een enorme klap. Werd er in de zaal een lawinepijl afgestoken.” Sindsdien draait Elstak nooit meer in Noord-Holland.

„Vooral in Amsterdam kan ik niet draaien. Dat komt doordat ik Feyenoordsupporter ben. That’s it. Ik zit niet bij de harde kern en ben nooit bij een rel betrokken geweest.”

Het heden

Inmiddels staat hij al 25 jaar aan de top van hardcore-scene. Elstak scoorde megahits, bracht dik honderd platen uit en draaide wereldwijd. Maar terwijl veel van zijn collega’s uit die tijd in de vergetelheid zijn geraakt, heeft Elstak ieder weekend nog vijf boekingen. Zijn geheim? „Ik zwijmel niet over die goeie ouwe tijd, maar focus me op het nu en de toekomst.” Wat hij bovendien heeft, is zijn succes uit de jaren negentig. „Niemand kan mijn stokje overnemen, want er is maar één DJ Paul Elstak. Die monopoliepositie levert me nog steeds veel werk op.”

Elstak voelt zich ook nergens te goed voor, of het nou een hardcorefeest in Italië, een jaren-90-feest in Kinderdijk of een huwelijk is.

„Principes vind ik zulke onzin. Er is een filmpje van mij dat ik op een bruiloft draai. Dat leverde binnen een paar dagen miljoenen views op. Andere producers doen daar lacherig over. Maar zo’n huwelijk is hartstikke leuk. Goede sfeer, mensen gaan los en vergeten het hun leven lang niet meer. En voor mij is het gewoon een boeking. Ik voel me daar totaal niet te goed voor.”

Principes of niet: het moet toch pijn doen om voor de tigduizendste keer Rainbow in the sky op te zetten? „Daar heb ik me overheen gezet, want anders kan ik 90 procent van mijn muziek niet meer draaien. De meeste mensen hebben de hele week gewerkt en willen gewoon een paar uur losgaan. Ze zijn daar niet om opgeleid te worden in nieuwe muziek.” Lachend: „In ieder geval niet waar ik draai.”

Elstak woont tegenwoordig in Barendrecht. Uit een eerder huwelijk heeft hij twee dochters van 26 en 19. Met zijn verloofde heeft hij een zoontje van twee. Maar denk niet dat Elstak kan rentenieren. „Ik had rijk kunnen zijn als ik de juiste financiële mensen om me heen had gehad, maar ik was alleen maar bezig met draaien en produceren. En ik heb een dure levensstijl. Ik ben niet iemand die op water en brood leeft.” Want hoewel vijf boekingen per weekend leuk aantikken, leeft hij er ook naar. „Een verbouwinkje hier, een tuintje laten aanleggen daar.”

De toekomst

Elstak zit nu 25 jaar in het vak. Blijft hij nog 25 jaar? „Ik ga door zolang ik het kan volhouden, want dit is het mooiste beroep dat er is.” Hij is in ieder geval tevreden met wat hij heeft bereikt. „Ik heb een stempel gedrukt op de Nederlandse popmuziek. Als mensen over honderd jaar over de jaren 90 praten, dan zeggen ze: oh ja, da’s van de happy hardcore en de gabber. Dat verdwijnt niet meer, net zoals de jaren 70 met disco en 80 met new wave. Wat wil je nog meer?”