Een goede verrader geeft zijn fouten toe

Ook zijn nieuwe roman, een kamerspel voor drie ontgoochelde personages, draait om verraad. In hoeverre kun je verraad toegeven wanneer je je eigen zoon er voor hebt opgeofferd?

Illustratie Gijs Kast

In Amos Oz’ autobiografische roman Panter in de kelder (1997) sluit het 12-jarige joodse jongetje Profi in Jeruzalem vriendschap met een zachtmoedige Britse politieman. Het is 1947, een jaar vóór het uitroepen van de staat Israël. De spanningen tussen de zionisten en de Britten, die het bewind voeren over het toenmalige Palestina, hebben een kookpunt bereikt.

Profi, in wie je al snel de schrijver zelf herkent, heeft met zijn vriendjes een geheim genootschap opgericht, dat imaginaire plannen smeedt om de Britse bezetter uit Palestina te verjagen. En juist vanwege die anti-Britse plannen valt de vriendschap tussen Profi en de politieman bij die jongensclub heel slecht, ook al staat die agent niet volledig achter de Britse zaak en wil hij van Profi Hebreeuws leren om de joden beter te kunnen begrijpen. Om dat begrip is het Oz vooral te doen, maar de jongens zijn onverbiddelijk: Profi, oftewel Oz, is in hun ogen een verrader.

Eind jaren zestig werd Oz opnieuw beschuldigd van verraad. Dit keer door joodse religieuze fanatici. Hij riep hun toorn over zich af toen hij de Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook bekritiseerde en zich hartstochtelijk begon in te spannen voor een compromis met de Arabieren. Op zijn beurt zag hij die fanatici, gelouterd als hij was door de Zesdaagse Oorlog van 1967, als de veroorzakers van alle ellende in Israël. Een paar jaar later zou hij de Vrede Nu-beweging oprichten.

De schrijver Amos Oz werd in die dagen een politieke activist, wiens opvattingen je in bijna al zijn romans terugvindt. Zie de verhalen in De Heuvel van de Boze Raad (1976), zie de verslavend goede brievenroman Black Box (1987) of zijn magistrale autobiografische roman Een verhaal van liefde en duisternis (2004). In die boeken probeert hij begrip te kweken voor het standpunt van de gematigde Arabieren en krijgen joodse fanatici ervanlangs.

Tsjechov en Tolstoj

Oz’ begrip voor de tegenstander komt voort uit zijn humanisme en scherpe inzicht in de menselijke psyche. Soms neigt dat naar sentimentaliteit, maar vrijwel altijd wordt hij gered door zijn gevoel voor humor en ironie. Hij heeft daarin iets van Tsjechov of Tolstoj, wat niet zo vreemd is, omdat zijn beide ouders uit het voormalige Russische keizerrijk kwamen en sterk beïnvloed waren door de grote 19de-eeuwse Russische literatuur.

In zijn nieuwe roman, met de veelzeggende titel Judas, lijkt Oz zich te willen rechtvaardigen voor zijn politieke opvattingen van de afgelopen decennia. Alsof hij er nog altijd in gelooft dat een vreedzaam samenleven van Arabieren en joden mogelijk is. Maar Oz zou Oz niet zijn, als hij in dit opzicht niet ook zou toegeven misschien wel in een utopie te geloven, omdat joden en Arabieren inmiddels vijandiger tegenover elkaar staan dan ooit tevoren.

Opvallend is dat hij zich in Judas niet alleen als schrijver manifesteert, maar ook als een essayist die zich buigt over de vraag of iemand als ontrouwe volgeling toch de meest loyale verdediger van zijn eigen volk kan zijn. En precies daarom voert hij Judas Iskariot, algemeen bekend als de verrader van Jezus, op als idealist. Hij baseert zich daarbij op geschriften van joodse geleerden uit de Klassieke Oudheid, zoals Flavius Josephus, die Jezus een marginale plaats in de geschiedenis toebedelen. Hun Judas was een rijke koopman, die Jezus als de zoon van God zag. Door Jezus te kruisigen zou die afkomst worden geopenbaard, omdat God dan de nagels uit de voeten van zijn zoon zou trekken en deze gezond en wel van het kruis kon stappen. Judas deed daarom zijn uiterste best om die kruisiging voor elkaar te krijgen. Maar toen Jezus onder luid gekerm alsnog aan het kruis stierf, was Judas ten einde raad en pleegde hij zelfmoord uit wroeging. Hiermee waren zijn goede bedoelingen bewezen.

Dat essayistische karakter maakt van Judas een soms complexe roman over thema’s als religie, twijfel en idealisme. Maar ook is het een wijs en doorleefd boek over drie generaties Israëliërs die worstelen met een onmogelijk land.

Judas wemelt van de poëtische beschrijvingen van Jeruzalem. De mythische en magische stad wordt door Oz neergezet als een broos organisme, omringd door vijandige Arabieren.

’s Nachts klinken geweerschoten aan de prikkeldraadgrens die beide kampen van elkaar scheidt. Op de gevels zijn de sporen van de huis-aan-huis gevechten van 1948 nog altijd te zien. Maar bovenal is het alsof er bijna niemand in die stad woont, zo goed weet Oz de verlatenheid invoelbaar te maken aan de hand van de avondlijke stadswandelingen van een van zijn hoofdpersonen. Alleen al vanwege die beschrijvingen van de kwetsbare, jonge joodse staat kun je Judas bijna niet wegleggen.

De politieke realiteit van die dagen schetst Oz aan de hand van een verstild en overzichtelijk verhaal dat zich afspeelt in de winter van 1959-’60 en doet denken aan de Turkse speelfilm Winter Sleep (2014), die gebaseerd is op een verhaal van Tsjechov en zich afspeelt in een verlaten berghotel. De 25-jarige Sjmoeël Asj is gestopt met zijn studie geschiedenis, omdat zijn masteronderzoek naar de visie van de joden op Jezus is vastgelopen. Zijn vriendin heeft hem verraden door hem ineens te verlaten en met een ander te trouwen, zijn vader is failliet gegaan en kan hem niet meer onderhouden.

Sjmoeël is een stevige, harige, astmatische man met een zwarte baard, die om het minste geringste in tranen is. Hij was actief in de socialistische beweging en kon van nieuwe ideeën snel opgewonden raken, mits ze goed en scherp werden verwoord. Kortom, tot aan zijn persoonlijke crisis was hij een druktemaker, die de wereld wilde veranderen. Nu is hij een futloze tobber, die niet meer weet hoe hij verder moet in het leven en zich andere ouders wenst: in plaats van de zoon van een zakelijke landmeter, was hij veel liever een kind van intellectuelen geweest. Het is het verraden van de ouders, zoals je dat uit Oz’ eerdere werk kent en dat vooral te herleiden is tot zijn eigen cerebrale vader.

Op een dag reageert Sjmoeël op een advertentie waarin een student in de geesteswetenschappen wordt gezocht, die elke avond vijf uur lang een zeventigjarige invalide intellectueel gezelschap moet houden. De kandidaat moet een geheimhoudingsverklaring ondertekenen.

Bibliotheek

In een afgelegen huis aan de rand van Jeruzalem gaat Sjmoeël op sollicitatiebezoek. De geheimzinnige 45-jarige Altaj neemt hem in dienst. Van deze mooie vrouw, tot wie hij zich meteen aangetrokken voelt, mag hij zijn intrek nemen op zolder. Iedere avond moet hij voor zijn nieuwe baas, Gersjom Wald, de kachel aansteken, eten bereiden en thee zetten, om daarna urenlang met hem te converseren in zijn omvangrijke bibliotheek die hij nooit verlaat.

Al gauw raken Sjmoeël en Gersjom Wald, die nauw betrokken is geweest bij de oprichting van Israël, met elkaar in discussie – over het verraad van Israël en de joden, maar ook over dat van Jezus. Want wat zou er gebeurd zijn als Judas Jezus niet had verraden? Zou de westerse wereld dan joods in plaats van christelijk zijn geweest? Had het leed dat de joden de afgelopen tweeduizend jaar over zich uitgestort kregen dan voorkomen kunnen worden?

Er volgen soms pagina’s lange betogen, die het essayistische karakter van Judas versterken, maar door hun lengte soms gekunsteld overkomen. Tegelijkertijd kun je je goed voorstellen dat een egocentrische man als Gersjom Wald zo breedsprakig is omdat hij zijn gelijk wil halen en geen stilte verdraagt.

Een centrale rol in die betogen is weggelegd voor een grote afwezige: de in 1950 overleden joodse leider Sjealtiël Abarbanel. In 1948 viel hij in ongenade nadat hij David Ben Goerion er tevergeefs van had willen overtuigen dat het alsnog mogelijk was een compromis met de Arabieren te sluiten door samen de Britten uit Palestina te verdrijven en één gemeenschappelijk land voor Arabieren en joden te stichten. Voor een joodse staat was in dat plan geen plaats.

Zijn opvattingen kwamen Abarbanel duur te staan: hij werd door zijn zionistische kameraden van verraad beschuldigd en uitgestoten om in afzondering zijn levenseinde af te wachten. Gersjom Wald koos in dat conflict de zijde van David Ben Goerion, zijn grote held.

Tien jaar later is Abarbanel nog altijd niet weg te denken uit Gersjom Walds leven. Hij voelt zich schuldig over zijn verraad. Daar komt nog bij dat Abarbanel de vader is van Altaj. Zij blijkt de weduwe te zijn van Gersjom Walds zoon, die tijdens de oorlog van 1948 is gesneuveld.

Judas is een kamerspel voor drie ontgoochelde personages, die zich op de een of andere manier aan verraad schuldig maken. Voor Sjmoeël lijkt er even een uitweg te bestaan in de armen van de verbitterde, maar mooie Altaj, die echter niet meer van een ander kan houden. Ze gaat een paar keer met hem naar bed om hem daarna de wijde wereld in te sturen. Oz weet die gemankeerde liefde net als in zijn eerdere romans intiem en vervreemdend tegelijk te verbeelden.

Toch draait het in Judas niet zozeer om de liefde, maar om het krampachtig vasthouden aan het versleten ideaal van de joodse staat, waarvoor Gersjom Wald in 1948 zijn zoon heeft opgeofferd. Anders dan Judas pleegt Gersjom Wald geen zelfmoord, maar probeert hij zich te verdedigen voor zijn ‘verraad’.

Judas is geen makkelijk boek. Je kunt je zelfs afvragen of het als roman geslaagd is. Maar als literaire verdediging van Oz’ overtuiging dat alleen een compromis met je tegenstander tot vrede kan leiden, is het dat zeker. Van verraad kun je hem in ieder geval niet meer beschuldigen.