Als ouders steeds ruzie maken biedt de verbeelding uitkomst

Nadat hij in 2006 Nederlands kampioen Poetry Slam werd – deze krant meldde een publiekswaardering van liefst ‘108 decibellen’ – publiceerde Krijn Peter Hesselink (1976) vier dichtbundels. Als prozaschrijver debuteert hij nu met een dunne roman waarin een trauma verwerkt lijkt te worden: de scheiding van zijn ouders.

De grootste aanwijzing dat iemand zich hier autobio heeft gegraven is dat de behoefte precies te vertellen hoe-het-was sterker is geweest dan de controle over de compositie. Hierdoor blijft Moederziel te lang een opsomming van anekdotes en pingpongdialogen. Desondanks verdient dit debuut het voordeel van de twijfel. De openingspagina’s eisen al meteen alle aandacht op, met een goeddeels ontblote jongeman, Jonathan, die in de zondagochtendstilte van een Drents dorp een apotheker uit de slaap probeert te krijgen. Vanwege de gejaagde stem van de verteller denk je eerst dat Jonathan een drugsverslaafde is, maar hij blijkt een morning-afterpil voor zijn vriendin te willen hebben. Een treffende scène waar meteen de kern van het boek in schuilgaat: Jonathan ziet na zijn nare jeugd weinig heil in het ouderschap.

Hesselinks thematiek is de verbeelding. Voor de jonge Jonathan is het een welkom hulpmiddel tussen twee ruziënde ouders, maar later zit diezelfde verbeelding hem ook wel in de weg. Hij vult er het onbekende mee in, waarschijnlijk om voorbereid te zijn op nieuwe tegenslag, maar ironisch genoeg levert het hem vaak een gevoel van angst op. Een knap staaltje psychologie, waarmee op een originele manier de erfenis van een verpeste jeugd wordt getoond.

Ook het neerzetten van het tot mislukken gedoemde huwelijk bevat sterke passages. Meestal is de sfeer treurig en benauwend, maar er valt ook wel wat te lachen. Als de door haar man genegeerde moeder aankondigt het huis te verlaten, ontspint zich het volgende gesprek met haar man: “‘Ik rij gewoon naar Beilen.’ ‘Je weet niet eens of ze er nog wel wonen!’ ‘Zo ver is het niet…’ ‘Alsjeblieft, Anne!’ ‘Een half uurtje met de auto…’ ‘Je haat die hele streek!’ ‘Sinds wanneer? Ik ben dol op heide.’ ‘Er valt niet met je te praten.’ ‘De geur van de dennen. Heerlijk.’ ‘Als het zo moet – ’ ‘Net of je een overgeparfumeerd toilet binnenloopt.’”

Bij monde van Jonathan beschrijft Hesselink de adolescentie als een verhaal met te veel breuken. ‘Als ik met mijn ouders naar het strand was geweest, kwam er altijd zand mee in mijn schoenen. Daar viel nooit meer een volledig strand van te maken, hoe graag ik het ook zou hebben gewild.’ Wie weet komt hij met het schrijven een heel eind in de goede richting.