Alles komt hier uit de zee

Amforen met koraalplanten. De expositie Sicilië en de Zee in het Allard Pierson Museum is als een duik in het water.

Het lijken de objecten die je kent uit musea met oudheidkundige vondsten: marmeren beelden, bronzen munten, stenen kruiken. Maar dan zie je een amfoor waar zich een koraalplant op heeft vastgezet. En kijk daar, een bronzen scheepsram waar nog resten hout in vastzitten van het schip dat er lek mee is gestoken. Je kunt bijna, zegt directeur Wim Hupperetz van het Allard Pierson Museum in Amsterdam, „de boot vóelen die 2500 jaar geleden werd geramd voor de kust van Sicilië”.

Sicilië en de Zee is de eenvoudige titel van een bijzondere tentoonstelling. Tijdens een rondleiding zal de directeur zich een paar keer verspreken. Opgegraven, zegt hij dan, terwijl hij opgedoken bedoelt. Want dat is hier het bijzondere: alles wat we zien komt uit de zee. En jarenlang lag dat alles opgeslagen in een depot in Palermo, tot het Allard Pierson Museum en de Soprintendenza del Mare, de dienst voor onderwaterarcheologie, besloten er samen een expositie van te maken. Die tentoonstelling is straks ook nog te zien in Oxford, Kopenhagen en Bonn. En natuurlijk, voor het eerst ooit, in Palermo.

Wat is er dan opgedoken?

Te zien is de inhoud van zeven scheepswrakken, soms een bij storm gezonken handelsschip, andere keren een oorlogsbodem. Het zijn wrakken uit zo veel verschillende tijdperken dat de tentoonstelling tegelijk een reis door de tijd is. Het oudste object: een 3000 jaar oud, bronzen beeldje van een Fenicische godheid. Maar ook: Griekse beelden van het duurste marmer, die de Romeinen ooit als roofkunst naar hun eigen land haalden.

Notitieboek gemaakt van een trog

Je mag aannemen dat als een boot met zo’n transport zonk, zegt Wim Hupperetz, „er wel een paar mensen gevloekt hebben”. En dan zijn er nog zulke diverse voorwerpen als tegels voor de bouw van een kerk, uit de zesde eeuw. Een in zijn geheel bewaarde lading amforen voor wijn en olie, uit de twaalfde eeuw. En een zestiende- eeuws notitieboek, dat is gemaakt van de huid van een pijlstaartrog.

De tentoonstelling is ook letterlijk een beetje een duik in het water: de muren van de zalen zijn voor de tentoonstelling donkergroen en donkerblauw gemaakt. Het geef al met al, zou je kunnen denken, een mooi, romantisch beeld van het verleden. En dat, zegt Wim Hupperetz, „wilden we nou juist niet.” Daarom is er óók een kleine tentoonstelling van foto’s van vluchtelingen op Lampedusa. „Je kijkt op deze tentoonstelling naar cultuurgeschiedenis, maar die gaat altijd door, ook nu. Sicilië was ooit Arabisch. Dat heeft invloed op de keuken, op de muziek. En nu zijn er weer andere invloeden. Daarom vonden wij die foto’s gepast.”

En er is nog iets. Het Allard Pierson Museum bleek, merkten ze bij het samenstellen van de tentoonstelling, een paar objecten te bezitten die decennia geleden zijn gekocht van duikers: schalen en een amfoor. Dat kon toen nog, maar eigenlijk horen ze hier niet. Die gaan ze teruggeven aan de Soprintendenza del Mare.

Tot die tijd zijn ze te zien in een kleine, aparte vitrine, bij een uitleg over de ‘internationale conventie ter bescherming van cultureel erfgoed onder water’ van de UNESCO, die dit soort teruggaven beoogt te regelen. Nederland, zegt Wim Hupperetz, heeft die conventie nog altijd niet ondertekend. Dus misschien dat de tentoonstelling daar ook wat mensen over aan het denken gaat zetten.