Suppoost Pechtold

Omdat mijn vader en ik niet vies zijn van een beetje nepotisme, ben ik een zomermaand lang ‘zaalwacht’ geweest, in het museum waarvan hij directeur was.

De opdracht voor zaalwachters in het Rijksmuseum is helder: opletten dat de bezoekers geen schade toebrengen aan de objecten.

Dat lijkt eenvoudig, maar potdorie, wat bleek het zwaar. Want er gebeurt natuurlijk helemaal niets. En je mag niet gaan zitten, niet lezen en geen oortjes in om naar muziek te luisteren.

In een paar dagen veranderde mijn verhouding tot de tijd. Als ik op mijn horloge had gekeken, wilde ik, nog voordat mijn arm weer langs mijn lichaam hing, opnieuw kijken, terwijl ik wist: het is drie seconden later, op zijn hoogst vijf. Ik heb zelden zoveel lopen hoofdrekenen. Nog 18.002 seconden te gaan. Dat betekent nu nog 18.000 seconden, ofwel 5 uur, wat hetzelfde is als zeggen dat 63,5 procent van de werkdag voor me ligt.

Inmiddels zijn we vijf seconden verder en is het percentage veranderd in…

Enzovoorts.

Sinds die maand doe ik poeslief tegen suppoosten. Mijn bewondering grenst aan woede om hun lot, geloof ik. Of woede vanwege mijn schuldig besef van privilege dat ik er, sinds mijn maand zaalwacht, altijd gratis bij krijg als ik schilderijen in het echt ga bekijken. lk heb gemerkt dat mijn maandje Rijksmuseum zelfs van zich laat horen in het stemhokje. In Amerika zijn er kiezers die zich afvragen ‘what would Jezus do?’ Ik vraag me af: ‘hoe steun ik de zaalwachter?’

Eerst was die vraag hetzelfde als: ‘met welke stem steun ik slecht betaalde krachten met een vast contract?’ Nu is de vraag ingewikkelder, omdat veel suppoosten slecht betaalde uitzendkrachten zijn, of zzp’ers met een wegwerpcontract. Zie daar maar eens een stem bij te vinden.

Twintig jaar na mijn suppoostenervaring was ik politiek verslaggever. Regelmatig hoorde ik vanaf de perstribune in de Tweede Kamer hoe de fractievoorzitter van D66 werkelijk alle hervormingen aanprees die economen bedenken, van huurliberalisering tot het afschaffen van de ambtenarenstatus. Raar vond ik dat, want Alexander Pechtold was toch ook zaalwachter geweest? Best lang zelfs, als student in Leiden. Kon die niet wat voorzichtiger zijn met de mensen waarvan hij wist dat ze een pas werkelijk zware baan hebben?

Maar mijn verbazing hield op toen ik hoorde hoe het in Pechtolds tijd toeging in museum De Lakenhal. Zaalwachters mochten er zitten, op een kruk. En helemaal schokkend: ze mochten lezen.

Ja, hallo. Dat telt niet, dan heb je nooit iets meegemaakt. Dan zou het mij ook lukken voor alle soorten hervormingen te stemmen.