Moeder en dochter vinden elkaar in innige omhelzing

Danseres Truus Bronkhorst maakt met haar dochter Roxy Jongewaard de voorstelling die ze altijd al wilden maken. Roxy: Truus kan stilstaan en nog kan je een uur naar haar kijken.”

‘Dan moet je dus nu zeggen: ‘De geboorte van Roxy’”, lacht Roxy Jongewaard (21). Maar haar moeder is niet van de voor de hand liggende antwoorden. Ze speurt haar geheugen af. De sterkste schoonheidservaring van haar leven? „Dan toch muziek”, denkt Truus Bronkhorst (64). „Die is al mijn hele leven de grote inspirator. In dit stuk bijvoorbeeld dat requiem voor aartsbisschop Romero. Ik weet niet waarom, maar ik vind het zó geweldig, die kinderen, dat door elkaar schreeuwen. Ik raak er helemaal overstuur van. In de goede zin van het woord. Net als van On Kawara, die schilderijtjes met alleen de datum. Toen ik me realiseerde dat hij die tot zijn dood zal blijven maken moest ik huilen.” Ze stopt even. „Nu weer. Schoonheid vraagt om emotie.”

En over schoonheid gaat het in It’s a Beautiful Day, de voorstelling die zij met haar dochter, acht studenten van de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht en een pas afgestudeerde danser heeft gemaakt. Bronkhorst wilde al langer met acteurs werken, omdat acteurs nu eenmaal anders, minder gemakkelijk bewegen dan dansers. „Daardoor krijg je een energie die je bij dansers niet ziet. Dansers zijn bijna getraumatiseerd door de hoogte van de technische eisen, ze kunnen er niet meer buiten treden. Terwijl ik intentie en energie belangrijk vind.”

Bronkhorst leerde de jonge acteurs kennen tijdens een workshop die ze aan de HKU gaf en had zo eenvoudig en, noodgedwongen, tegen minimale kosten een cast voor de voorstelling die zij al „sinds ik mij kan herinneren” (Jongewaard), „in elk geval al elf jaar” (Bronkhorst), samen willen maken.

Destijds, in 2004, verloren Bronkhorst en mimespeler/acteur Marien Jongewaard, haar toenmalige partner en de vader van Roxy, hun structurele subsidie. Een enorme schok. Bronkhorst, in de jaren tachtig bekend geworden met theatrale danssolo’s als Lood en Goud, kroop in haar schulp. Voor haar dochter was een moeder die vaker thuis was vooral leuk: „Het verdriet heb je als kind niet zo erg in de gaten.”

Intussen verschijnt Bronkhorst al weer vier jaar in eigen en andermans voorstellingen. Jongewaard, die als student kunstgeschiedenis onderzoekt waarom wij dingen mooi vinden, heeft haar moeder in de functie van dramaturg intensief gevolgd. „Ik vind haar heel mooi. Alles aan haar.” Haar moeder verbergt haar gezicht bij die woorden. „Dat meen ik echt. Truus kan stilstaan en nog kan je een uur naar haar kijken. Zo krachtig. Daar staat echt een performer.”

„Niet krachtig als een bodybuilder, maar qua uitstraling”, vult Bronkhorst aan. „Ik ga steeds minder doen. Totale eerlijkheid op het toneel. Ik speel nooit, en toch speel ik. Iedere dag een nieuwe voorstelling. Ik imiteer mezelf nooit.” Jongewaard grinnikt: „Ik vind het wel leuk dat je zelf uitlegt waarom je mooi bent. Maar het is wel waar.”

Schoonheid is een nogal breed begrip. De flyer van It’s a Beautiful Day spreekt van „onbetwistbare schoonheid. Schoonheid die gelukkig maakt, en moed kan geven om door te gaan. Maar ook schoonheid die kan vernietigen en tenietdoen.”

Er staat ook een kleine dialoog van moeder en dochter op, die gelezen kan worden als een weigering om méér te vertellen: het is wat het is.

Bronkhorst heeft altijd bezwaar gehad tegen toelichtingen vol referenties. Om promotieteksten in de trant van „deze voorstelling is gebaseerd op het werk van Francis Bacon” kan ze nog steeds boos worden. Parasiteren is dat, pronken met andermans veren. Des te opmerkelijker dat Jongewaard in de voorstelling een drietal voordrachten houdt over het werk van Jackson Pollock.

„Pollock heeft heel weinig over zijn werk gepraat”, aldus Jongewaard. „Er zijn maar heel weinig quotes van hem bekend. Hij intrigeert mij: zijn werk, de kunstenaar, de man. Maar het zou misplaatst zijn te zeggen dat de voorstelling gebaseerd is op het werk van Jackson Pollock.”

„Daar gaan we niet mee sjtense, op zijn Limburgs gezegd”, vult Bronkhorst aan. Sjtense betekent opscheppen. „Pollock zegt niet: dit is de betekenis. Nee, je zuigt het werk op, en als die energie je lichaam weer verlaat, moet je er zelf vorm aan geven. Ik dacht, misschien werken wij ook wel zo.”

Eenduidig is It’s a Beautiful Day dan ook niet. De jonge performers rennen woest schreeuwend rond, klappen tegen de zijwand, laten zich vallen, kontschuiven over de vloer, ontmoeten elkaar in korte duetten. Er is rumoer, geweld en verstilling. De verstilling komt meestal van Bronkhorst, die als middelpunt én outsider, zelfbewust én kwetsbaar, haar eigen traject volgt, met vaak dezelfde bewegingen, maar exacter, trager, anders gefraseerd.

Sommige scènes ogen, toch, als een verwijzing naar de kunstgeschiedenis. Lijkt die groepssculptuur niet op een Bernini? En die bevallige poses met draperieën, is dat niet typisch iets uit de zeventiende-eeuwse schilderkunst? Moeder en dochter kijken aangenaam verrast: dergelijke eigen interpretaties, dat is nou precies de bedoeling. Beauty is tenslotte in the eye of the beholder.

Net zo mag iedereen aan het einde van de voorstelling het nummer van Eminem, When I’m Gone, met op het toneel vijf omhelzende paren (ook Bronkhorst en Jongewaard omarmen elkaar innig), interpreteren zoals hij wil. Ook al gaat het duidelijk over afscheid, Jongewaard heeft nooit associaties met het definitieve afscheid van haar moeder gehad. „Elke relatie kan tot een einde komen. Ook de relatie tussen een kunstwerk en de beschouwer. Die tekst gaat niet over afscheid, maar over dat je er nog bent.”

Bronkhorst: „Nu moet ik weer huilen.”