Indonesische slachtpartij van 1965 alsnog ‘berecht’ in Den Haag

Mensenrechtenactivisten houden deze week een informeel tribunaal over de slachtpartij na coup van ’65.

Het strand van Kuta op Bali.

Zonder het te beseffen slapen toeristen op Bali in hotels die gebouwd zijn op massagraven. „Ik ken er ettelijke, ook een luxehotel aan de kust bij het befaamde Kuta”, zegt Leslie Dwyer, een Indonesië-specialist uit de VS. Ze is getuige bij het Internationale Volkstribunaal in Den Haag over wat de ‘stille genocide’ wordt genoemd, de massale slachtpartij die uitbrak in Indonesië na een al dan niet verijdelde coup in oktober 1965.   

Circa een half miljoen mensen die werden verdacht van communistische sympathieën kwam om het leven. Op het kleine Bali, waar de communistische partij tamelijk sterk was, hielden de militairen en milities van de latere president Soeharto extra hard huis. Dwyer schat dat er tussen de 80.000 en 120.000 mensen werden vermoord, 5 tot 8 procent van de toenmalige bevolking. Volgens Dwyer bevinden zich meer dan honderd massagraven op het eiland.

Nooit hebben de Indonesische machthebbers zich verontschuldigd voor die bloedbaden, die zich in de hele archipel afspeelden, of voor de martelingen en het jarenlange verblijf in concentratiekampen van tienduizenden landgenoten. Of voor de uit elkaar gerukte gezinnen en in de knop gebroken carrières van tienduizendenfamilieleden van slachtoffers. Laat staan dat de machthebbers voor dat alles voor een rechter verantwoording hebben afgelegd. Ook de vorig jaar aangetreden president Joko Widodo maakt geen aanstalten schuldigen alsnog te berechten.

Daarom besloten een aantal buitenlandse en Indonesische mensenrechtenactivisten, verenigd in het Internationaal Volkstribunaal 1965, bij de vijftigste verjaardag van de slachting een informeel tribunaal in de Nieuwe Kerk in Den Haag te houden. Aan de hand van deels bejaarde getuigen en experts probeert een groep ‘rechters’ van internationale samenstelling de waarheid te achterhalen. Todung Mulya Lubis, een gerenommeerde Indonesische jurist en mensenrechtenactivist, treedt op als aanklager.

Hij klaagt de staat Indonesië aan, die van het vier dagen durende tribunaal weigerde een vertegenwoordiger te sturen. Vanuit Jakarta liet vicepresident Jusuf Kalla in de Jakarta Globe weten het ongepast te vinden zo’n tribunaal te houden in de vroegere koloniale macht (Nederland) die de mensenrechten vaak schond.

In oktober 1965 brandde het hoofdkwartier van de communistische partij in Jakarta af.

De 83-jarige Yoshua Martono, automonteur uit Java die vijf jaar in de cel doorbracht en talloze lijken van vermoorden via de Solo-rivier moest afvoeren, is getuige. „Dit is heel belangrijk, ook humanitair. We kunnen de ogen van het publiek openen”, zegt Martono, die ook binnen de hele dag een rode muts en windjack draagt.

Voor de 67-jarige Bedjo Untung is het tribunaal eveneens een lang gekoesterde droom, al heeft het geen juridisch bindende betekenis. Eerst ontsprong hij de dans, nadat zijn vader – een onderwijzer - was opgepakt en naar het beruchte strafkamp op het Molukse eiland Buru moest. In 1970 werd ook Bedjo gearresteerd, waarna hij negen jaar doorbracht in concentratiekampen. Een reguliere baan in het onderwijs zat er niet in, onder Soeharto werden ex-gevangenen zwaar gediscrimineerd. Nu nog steeds, al hebben ze sinds de val van de potentaat in 1998 formeel hun burgerrechten teruggekregen. Als privéleraar gaf hij Engelse les en muziek.

Ondanks constante tegenwerking en periodieke dreigementen richtte Bedjo Untung in 1999 een instituut op in Jakarta dat zich inzet voor de bestudering van de slachting, YPKP 1965/1966 genaamd. Een groot evenement als dit kon hij in eigen land niet houden, wel verzamelde hij getuigenissen van de slachtoffers van wreedheden van toen voor het nageslacht. „Ik ben hier gekomen als hun vertegenwoordiger. Ik hoop dat ons geluid nu luider zal klinken en dat de autoriteiten in Indonesië er door onder druk komen te staan om een echt tribunaal te organiseren. Dat zou echt een zeer gedenkwaardige dag zijn.”