Het is een goed boek, dat wéét ik

Vanavond wordt de ECI-prijs (voorheen AKO) uitgereikt. Jeroen Brouwers wacht het thuis af.

Jeroen Brouwers bij zijn huis in het Vlaamse Zutendaal. Foto: Chris Keulen/HH

Het huis staat er nog, gelukkig. Een jaar geleden kreeg schrijver Jeroen Brouwers van het hof in Antwerpen te horen dat zijn woning in de bossen bij het Vlaamse Zutendaal afgebroken moet worden. De 75-jarige schrijver ging in cassatie zodat hij vanavond in elk geval in zijn eigen huis kan afwachten of zijn roman Het hout wordt bekroond met de ECI-prijs.

Eigenlijk werd Brouwers net als zijn medegenomineerden Stephan Enter, Mark Schaevers, Inge Schilperoord, P.F. Thomése en Annelies Verbeke verwacht bij de uitreiking op festival Crossing Border in Den Haag, maar daar begint hij niet meer aan. „Dat kan ik fysiek niet meer, ga daar niet zitten in mijn rolstoel.” Brouwers heeft een longkwaal en werd door twee herseninfarcten getroffen. Hij onttrekt zich al jaren aan het nominatiecircus. „Een literaire prijs hoort als een sierduif vanuit de dakgoot bij je neer te dalen. Vroeger werd een prijs ‘toegekend’, sinds de grote commerciële prijzen er zijn worden ze ‘gewonnen’, alsof het een bokswedstrijd is.” Daar voelt de schrijver niets voor. „Vroeger ben ik nog wel eens bij zo’n diner geweest. Het is verschrikkelijk. Je kunt van de zenuwen de aardappels op je bord niet zien.” In 2001 kreeg Brouwers de voorloper van de ECI-prijs, de AKO Literatuurprijs, voor Geheime kamers.

Hij heeft de andere boeken op de shortlist van de prijs van de organisatie cadeau gekregen. „Het zijn goede boeken”, zegt hij. „Maar die ECI-prijs hoort natuurlijk hier op tafel komen te staan; de tafel waarop ik Het hout heb geschreven.” Vroeger schreef hij op de bovenverdieping van het huis, temidden van zijn kolossale archief, maar hij komt de trap niet meer op. Het hout is volgens de schrijver ontstaan door de actualiteit, door de stroom publiciteit over het misbruik in de katholieke kerk. „Een paar jaar geleden struinde ik hier door het bos – dat kon ik toen nog – en dacht ik: al die verhalen, ik ben daarbij geweest [Brouwers zat jaren in een jeugdinternaat].Ik ben geen slachtoffer, maar ik ken de sfeer precies. Dus wilde ik alles beschrijven door de ogen van een broeder, die medeplichtig is doordat hij wéét wat er gebeurt.” Hij is tevreden over het resultaat. „Dit is een goed boek. Punt. Dat wéét ik. Het heeft schitterende recensies gekregen en er zijn 60.000 exemplaren van verkocht.” Aan vertalingen in het Frans en Duits wordt inmiddels gewerkt.

Brouwers is alweer aan een nieuw project begonnen: de bijwerking en uitbreiding van zijn monumentale studie over zelfmoordenaars in de letteren, De laatste deur. „Het is een kolossale klus. Sinds het boek verscheen in 1983 is er veel nieuwe literatuur gepubliceerd, zoals de biografie van Menno ter Braak. Dat moet ik erin verwerken. Het gaat in die stukken steeds om het zoeken van de motieven. Als bij een moord.” Er komen ook ‘nieuwe’ artikelen in, bijvoorbeeld over Joost Zwagerman. „Hij heeft nog gesproken op mijn vijfenzeventigste verjaardag in de schouwburg in Antwerpen. Over zelfmoord. Hij is hier ook op bezoek geweest. Het heeft me wel een opdonder gegeven hoor, ik zag dit helemaal niet aankomen.”

Intussen is het zeer goed mogelijk dat er vanavond laat een televisiewagen het bospad in Zutendaal op komt rijden om in het huis met de gevelsteen waarop ‘Noli me tangere’ staat de winnaar van de ECI Literatuurprijs te feliciteren. De bewoner zal wel opendoen, zegt hij met een zweem van ongeduld: „Er moeten beelden zijn, ja ja. Dat begrijp ik ook wel, natuurlijk.”