Gemaakt in bezet gebied

Eis van de EU: speciaal etiket voor producten uit bezet gebied. Israëlische ondernemers zijn boos.

Een Palestijnse arbeider bij de Joodse nederzetting Petsael op de Westelijke Jordaanoever. Veel Palestijnen verdienen onder het minimumloon.

Vergeleken met de manager van het industrieterrein, een orthodoxe jood die weigert vrouwen een hand te geven, en de gemeentewoordvoerder van Samaria, die Arabieren „van nature agressief” noemt, is Moshe Lev-Ran een linkse hippie. Lev-Ran, een vijftiger met strak achterovergekamd grijs haar, woont in een Israëlische kibboets en werkt als internationaal marketingmanager van Twitoplast, een fabriek voor airco-onderdelen op de bezette Westelijke Jordaanoever.

Natuurlijk, Lev-Ran krijgt weleens de vraag waarom hij, als linkse Israëliër, werkt in een fabriek in bezet gebied . Heel simpel, legt hij uit: uit compassie met de Palestijnen. „Wij geven hun werk. Vrede is alleen mogelijk door economische groei. Ik heb zeven jaar in Zuid-Afrika gewerkt, en daar wilden ze ook niet dat de blanke managers weggingen. Dan kwam er een zwarte manager voor in de plaats die de lagere school niet had afgemaakt. Kijk nu eens naar Johannesburg: sloppen, geen werk.” 

Twitoplast is een van de bedrijven die te maken krijgen met een Europese richtlijn die gisteren werd gepubliceerd. Voortaan mogen producten uit illegale nederzettingen in Palestijns gebied niet meer de tekst Made in Israel op het etiket dragen. Europa en het grootste deel van de internationale gemeenschap beschouwen de Westelijke Jordaanoever niet als Israël. Het gebied werd in 1967 door Israël veroverd en is sindsdien bezet.

Producten uit illegale nederzettingen zijn nog steeds welkom in Europa, maar dan met een aangepast etiket en tegen minder gunstige invoertarieven. De maatregel betreft naar schatting 1 procent van de 30 miljard euro aan producten die Israël jaarlijks naar Europa verscheept.

Israëlische politici, premier Netanyahu voorop, kwalificeren de EU-maatregel als hypocriet en discriminatoir. Toch is er ook een beweging van enkele honderden prominenten in de Israëlische samenleving, die de maatregel toejuichen als „een stap die een vredesovereenkomst kan bevorderen”.

Zonder werk gaan ze moorden

Het is een „boycot”, zegt fabrieksmanager Lev-Ran niettemin. „Wat de Europese Unie niet begrijpt, is dat deze boycot uitsluitend onze Palestijnse werknemers treft. Het is heel belangrijk voor hen om werk te hebben. Zonder werk gaan ze moorden.”

Dit argument wordt bestreden door Who Profits, een Israëlisch onderzoekscentrum dat uitzoekt wie er profiteert van de bezetting. Bijna alle 27.000 legale en 10.000 illegale Palestijnse werknemers in Israëlische nederzettingen verdienen minder dan het minimumloon; ze zijn afhankelijk van een werkvergunning die hun elk moment kan worden afgenomen. Ook wordt de Israëlische arbowet in bezet gebied wordt slecht nageleefd. Maar bovenal stoort het Who Profits dat deze Israëlische industrieën profiteren van Palestijns land en van Palestijnse grondstoffen en arbeidskrachten. „Het bestaan van deze industrieën verdiept en bestendigt de bezetting”, stelt het onderzoekscentrum in een rapport. Volgens de Wereldbank heeft de Palestijnse economie al meer dan 3 miljard euro verloren doordat de helft van het land niet toegankelijk is voor Palestijnen.

Dat de EU alleen de Palestijnse werknemers ermee heeft, is het belangrijkste argument dat de mensen van fabrieken, boerderijen en wijnmakerijen op de Westelijke Jordaanoever hanteren tegen de etiketteringsmaatregel. Meteen gevolgd door een tweede grief: het is antisemitisch.

Vraag het de 38-jarige wijnmaakster uit Rehelim, die werd geboren als Roos van Coevorden en nu Vered Ben-Sa’adon heet. Haar voornaam is de Hebreeuwse vertaling van haar Nederlandse voornaam, haar achternaam verkreeg ze door te trouwen. Sinds haar derde vertoeft Ben-Sa’adon, een bekeerlinge met een Joodse vader, al in bezet gebied.

De EU-maatregel „doet me denken aan de Jodenster”, zegt Ben-Sa’adon, terwijl ze haar gasten trakteert op een glas rode wijn, een glas witte wijn en een bodempje olijfolie. „Het is gewoon geweld tegen de Joden. Dit heeft niets met de bezetting te maken. Wist je trouwens dat wij hier mogen wonen van de Verenigde Naties? Maar de Arabieren willen ons de zee in drijven. En waar moeten we heen? Zij hebben nog 21 andere landen om uit te kiezen, wij niet.”

Aan de houten muur van de wijnmakerij in Rehelim, een gehucht dat is genoemd naar twee Rachels die zo’n 25 jaar geleden omkwamen bij aanslagen door Palestijnen, hangen diverse medailles voor de wijn van Ben-Sa’adon en haar echtgenoot. De wijn – die ze ‘Hartland’ hebben gedoopt, om de Bijbelse geschiedenis van het gebied te benadrukken – is in trek. „We kunnen nauwelijks genoeg produceren. Laatst was er weer vraag uit Uruguay en Hongkong.”

De Europese etiketteringsmaatregel zal niet veel uitmaken voor de omzet, ook al omdat een land als Frankrijk nauwelijks wijn uit deze contreien importeert.

Ben-Sa’adon vreest dat de mening van de Israëlische kolonist in dit debat niet zal worden gehoord. „Wij hebben goede argumenten, maar het is tegenwoordig veel populairder om in Jaffa te wonen en voor linkse media te schrijven. Israël is gewoon niet zo goed in propaganda.”