ECI Literatuurprijs: dit vindt NRC van de kanshebbers

Zes romans maken vanavond kans op de grote ECI Literatuurprijs, voorheen AKO Literatuurprijs.

Compassie: Stephan Enter (●●●○○)

Na zijn ‘sensibele’ alpinistenroman Grip richt Stephan Enter (1968) zich in het qua dikte tussen een novelle en een roman zwevende Compassie op de zeden van de moderne tijd. We volgen levensgenieter op vrijerspad Frank van Luijn, die een affaire begint met de getroebleerde Jessica. Dat al vroeg in de roman duidelijk wordt dat Frank Jessica wilt lozen, maken de resterende pagina’s volgens recensent Sebastiaan Kort niet bepaald spannender. ‘Dat wil niet zeggen dat Compassie een slechte roman is.’ Kort:

‘Daar is alleen Enters stijl, die vooral in het begin van de roman weer erg doeltreffend is, te secuur, te muzikaal, te effectief voor. [..] Maar de soeverein boven het maaiveld uit stekende metaforen uit Grip zijn hier een stuk dunner gezaaid. [..] Compassie drijft een galant geformuleerde wig tussen seks en intimiteit. Maar een hoogtepunt in Enters oeuvre is het niet.’

Het hout: Jeroen Brouwers (●●●●○)

In Het hout probeert Jeroen Brouwers (1940) de katholieke kerk te raken waar mogelijk. In de roman, die zich afspeelt op een door Franciscaner kloosterlingen geleid jongensinternaat anno 1953, zijn de misbruikschandalen uitvergroot tot een wereld waarin kloosterlingen alleen maar aan seks denken. Het resultaat is een fysiek, benauwende roman, verteld vanuit het perspectief van ‘held’ broeder Bonaventura, die uiteindelijk draait om volharding. Recensent Arjen Fortuin was vooral onder de indruk van het eerste deel van Het hout:

‘Dat komt vooral door de dichtheid die Brouwers zijn tekst daar heeft meegegeven. Alles is benauwd en donker, zowel in wat er beschreven wordt als in hoe het er staat, in zinnen die stuk voor stuk geladen zijn met betekenissen en bijbetekenissen. ‘De urinoirs daartegenover hangen te gapen of ze dorst hebben net als ik.’ Of, bijna even mooi: ‘Zijn haar was toen nog minder wit, van boven schemerde wel al de glimmende waarheid.’’

De orgelman: Mark Schaevers (●●●●○)

Gouden Boekenuil-winnende biografie van Vlaams journalist Mark Schaevers (1956) over schilder Felix Nussbaum (1904-1944), die in Auschwitz om het leven kwam. Schaevers plaatst in korte hoofdstukken de persoonlijke omstandigheden van deze ‘Napoleon van de schilderkunst’ in politiek-historische kaders, hier en daar gelardeerd met citaten van Primo Levi, Paul Celan, Philip Mechanicus en anderen. Nussbaum zag zichzelf ‘als een vraagteken in de wereld rondlopen’. Dat vraagteken werd gedurende zijn leven alleen maar groter, schrijft recensent Marianne Vermeijden:

‘Niet zo gek, want hij was twintig, net van de academie af en dan kan de toekomst best als een oceanische leegte voor je liggen. Wat te schilderen? Waarom eigenlijk? Kan ik het wel? Nussbaum kon niet voorzien dat dat vraagteken in de loop van zijn relatief korte leven angstaanjagende proporties zou aannemen. Niet zijn carrière, zijn hele voortbestaan werd één groot vraagteken.’

Muidhond: Inge Schilperoord (●●●●○)

‘Magnetiserende, diep humane debuut’ van forensisch psycholoog Inge Schilperoord (1973) waarin pedoseksualiteit niet wordt veroordeeld, maar Schilperoord de vraag stelt hoe het is om met die geaardheid te leven en niet weer ‘in de fout’ te gaan. Centraal in de roman staat Jonathan, een man van een jaar of dertig, die na een gevangenisstraf bij zijn alleenstaande moeder intrekt en worstelt met zijn pedoseksualiteit. Muidhond beklijft, schrijft recensent Sebastiaan Kort:

‘Het kost je na het omslaan van de laatste pagina ook de grootste moeite om er originele woorden of kwalificaties voor te bedenken, omdat het je nauwelijks ruimte biedt om er afstand van te nemen. Het is proza dat de lezer opeist. Het boek is geen pageturner, dat is iets anders, maar een boek waar je ogen als magneten aan vastgekleefd blijven zitten. Het eerste compliment aan Schilperoord betreft dan ook haar schrijven-als-ambacht: alles staat in haar zinnen op de goede plek en er staat geen woord te veel in.’

De onderwaterzwemmer: P.F. Thomése (●●●○○)

De onderwaterzwemmer van P.F. Thomése (1958) gaat van start in 1944, als de veertienjarige Tin van Heel begint aan wat een groots avontuur moet worden. Midden in de nacht zal hij met zijn vader naar de overkant van de rivier zwemmen (bevrijd gebied!) en daar een opdracht uitvoeren die Tin niet kent, maar die op de een of andere wijze de bevrijding dichterbij moet brengen. Maar zijn vader verdwijnt en Van Heel raakt getraumatiseerd. Dertig jaar later, aanbeland in Afrika, is Van Heel een man die zich voortdurend laat sturen door zijn gevoel. Recensent Arjen Fortuin las een roman met zijn tekortkomingen:

‘Ergens in De onderwaterzwemmer staat: ‘Het verleden is geen land van gevonden voorwerpen. Het is een verhaal dat je niet meer rond kunt krijgen.’ Dat is mooi gezegd, maar het tekent ook een tekortkoming van het verhaal dat Thomése ons aan de hand van Tin van Heel probeert te vertellen. Want dat het verhaal van het verleden niet meer rond te krijgen is, is misschien wel waar, maar niet zo relevant. Ik zou zeggen dat de romankunst het land is waarin we de gevonden voorwerpen betekenis proberen te geven: en dat gebeurt in deze originele, maar al te gevoelvolle roman minder dan we van Thomése gewend zijn.’

Dertig dagen: Annelies Verbeke (●●●●○)

De opzet van Dertig dagen van de Vlaamse schrijfster Annelies Verbeke (1976) is eenvoudig: de veertiger Alphonse Badji is een klusjesman annex huisschilder in de Vlaamse Westhoek met een wonderbaarlijk vermogen om zijn klanten verhalen te laten vertellen. Hij hoeft ze maar aan te kijken of ze lopen leeg: over burenruzies, overspel, zakelijk ongemak, spookverschijningen, erotiek, vlinders en veel meer. Het ene relaas is opmerkelijker dan het andere en in de loop van het boek vloeien heel wat van die verhalen samen. Een minder ambitieuze schrijver had zich met zo’n mozaïek tevreden gesteld, maar Verbeke duikt ook diep in de constitutie van haar hoofdpersoon. Arjen Fortuin:

‘Op het omslag van Dertig dagen staat een blurb van David van Reybrouck: ‘Dit boek is een dialoog met onze grillige, taaie tijd. Lees het traag. Leg het weg. Lees het weer.’ Grillig, taai, traag – het zijn adjectieven die menige moderne uitgever een doodschrik zouden bezorgen. Intussen is Van Reybrouck niet alleen om zijn faam gevraagd, achterin het boek wordt hij bedankt voor zijn hulp als meelezer. En belangrijker: hij heeft gelijk.’