De duivel verliest maar God net zo goed

„I want magic!” Son of Saul. The Lobster. De wilde eend van Maren Bjørseth.

Nee, ik heb niks tegen Son of Saul. Maar ik zou het wel bijna krijgen, met al die eerbiedige kritieken op die film. De Shoah mag je niet verfilmen, klinkt het zedig, maar voor Son of Saul maken we een uitzondering. Want die is voldoende onverdraaglijk. Bedoeld wordt: de systematische massamoord door de nazi’s mag je niet romantiseren. Maar ik red het niet om La vita è bella af te wijzen, over een Jood die zich via zijn vaderschap verweert tegen de geestelijke vernietiging. Net zo min kan ik veel hebben tegen Schindler’s List van Steven Spielberg, ook al heeft Claude Lanzmann, maker van de klassieke Auschwitz-documentaire Shoah, die film in de ban gedaan.

Waar ik wél iets tegen heb, is hoe films over de Endlösung tegen elkaar worden afgezet. Alsof er een wedstrijd is in accuratesse waarmee de massamoord en de systematische ontmenselijking wordt opgeroepen.

Lanzmann is een documentairemaker. Van fictiefilm begrijpt hij niet veel. Hij is principieel tegen enscenering van de kampen maar gaf Son of Saul zijn zegen. Die komt namelijk dicht bij de echte ervaring.

Ik vraag me af waarom een holocaustfilm pas zou deugen als hij de true experience biedt. Hou op. Kunst is geen spookhuis. En realisme bedriegt sowieso, want na afloop mag je de bioscoop weer uit, en dat weet je. Geeft niet, maar laten we niet net doen of het niet zo is. En laten we nooit de kracht van de verbeelding wegwuiven als iets wat niet hoort. „I don’t want realism. I want magic!” zucht Blanche in A Streetcar Named Desire – en zo is het. Alleen dan valt er iets van de wereld te begrijpen en de kunsten staan ons bij.

Zie in de film The Lobster wat er mogelijk is als de kunst je tart, dwars tegen alle logica in. The Lobster kidnapt zijn publiek naar een absurde wereld waarin het huwelijk verplicht is en zonodig wordt afgedwongen in een sanatorium (lees: een heropvoedingskamp). Wie faalt wordt veranderd in een dier naar keuze (lees: hij wordt ontmenselijkt). Vandaar dat er een dromedaris door het beeld loopt. Of een pauw. Of zo. Wreedaardig smijt The Lobster ons voor de voeten wat een politiestaat de burger aandoet. Zonder sentiment, want daar doet surrealisme niet aan. Ik geniet, maar de film komt hard aan.

De jonge Maren Bjørseth daagt me uit met haar regie van De wilde eend, meesterwerk van Henrik Ibsen over een idealistische man die het zijn plicht vindt een wandaad van zijn vreselijke vader recht te trekken. Met desastreus resultaat.

Een museumstuk uit 1884, maar wat moet Bjørseth daarmee? Nou, dit. Zij ontdekt in het stuk de andere kant van de vreselijke vader. Hij is God. Een wrede God die een vrouw bezwangerde en afschoof (dat komt in de beste families voor). Bjørseths geniale ingeving is om die God/vader het volle stuk lang, zwijgend toe te laten kijken bij wat zijn idealistische zoon aanricht. Die zoon bestrijdt hem via de corruptie van een zuivere ziel. Thomas Hoppener speelt hem mooi, ik zie hem en in mijn achterhoofd klinkt Mick Jagger: „Please allow me to introduce myself, I’m a man of wealth and taste…”

De duivel komt een eind maar hij verliest – een onschuldig meisje maakt zichzelf liever van kant dan een wandaad te begaan. En dat meisje is de ondergeschoven dochter van die vader. Dus God verliest ook.