Column

Waarom mag Memphis geen hoed op?

Memphis Depay en zijn hoed (‘Nieuwsuur’).

Soms is één interview een gamechanger, zonder dat het in aanmerking komt voor de Sonja Barend Award. Misschien wel juist daarom.

Voordat ik het cruciale gedeelte van het gesprek tussen voetballer Memphis Depay (21) en verslaggever Bert Maalderink (52) in Nieuwsuur letterlijk opschrijf, eerst even de context.

International Depay zit bij zijn nieuwe club Manchester United op de reservebank en doet het ook in Oranje niet goed. Het schoolplein dat Twitter heet verkneukelde zich dus massaal, toen NOS-analist Co Adriaanse de jonge vedette had gehoond, door hem te vergelijken met „een Peruviaanse panfluitspeler”, omdat hij zich had laten filmen met een gaucho-achtige hoed en een rode Louis Vuitton-sjaal.

Tijd voor een harde en kritische ondervraging door de witste van alle middelbare witte mannen, tijdens het trainingskamp in Katwijk.

Bert Maalderink: „De buitenwereld ziet een man met hoed.”

Memphis Depay: „Ja, dat is een hoed.”

BM: „Ja, precies. Dan denkt de buitenwereld: wat doet die man met die hoed?”

MD: „Wat doet een man met een hoed? Die zet die op.”

BM: „Ja, en dan wordt er wel eens gezegd: op het moment dat je speelt en dat je goed bent, dan mag je flamboyant zijn. En dan mag je dingen doen die anderen niet doen.”

MD: „Is een hoed dan flamboyant? Dat is gewoon een hoed. Ik vind dat mooi.”

BM: „Ja, dat snap ik, anders had je hem niet op. Maar als niemand anders het doet, dan valt het extra op. En dan wordt er al snel gezegd: die man gaat naast zijn schoenen lopen.”

MD: „Ja, dat wordt misschien gezegd. En dan zullen de meningen verdeeld zijn. Ik weet dat het niet zo is.”

BM: „Dat maakt je niet uit, hè?”

Na nog wat gesteggel loopt het gesprek uit op een vaderlijk advies, dat het misschien verstandiger is om niet zo op te vallen. Dat is ook de strekking van de conclusie van Frits Barend, later op de avond bij Pauw. Wie excentriek wil zijn, moet eerst excelleren.

Nog afgezien van de terechte verbazing van de voetballer dat het dragen van een hoed in Nederland al gezien wordt als flamboyant, is deze betutteling onverdraaglijk. Je herkent er de afgunst in jegens (voetbal)miljonairs die denken dat ze zich alles kunnen permitteren. Nee, jongeman, zo zijn we niet getrouwd: jij wint wedstrijden, dan zullen wij juichen, en als je dat niet doet, dan maken we je helemaal kapot, met je kapsones.

Het schoolplein had het er de hele avond druk mee, maar begon snel te kenteren. Een horkerige schoolmeester is nog minder populair dan een falende ijdeltuit, zeker als die laatste van zich af weet te bijten. Er verschenen foto’s van mannen die uit solidariteit een hoed hadden opgezet. Maar natuurlijk waren er vooral veel mensen die zich ergerden aan de trivialiteit van het debat.

Ik krijg steeds meer een hekel aan Nederland. Denker Thierry Baudet noemt dat oikofobie, maar hij mag natuurlijk wel een hoed op van zichzelf.