‘Ster worden is een loterij’

Hollywoods favoriete cokegangster Benicio del Toro komt nu ook in aanmerking voor heldenrollen, zoals Mambrú in ‘A Perfect Day’.

Zaterdag, Cannes: dit moet A Perfect Day zijn. Acteur Benicio del Toro (48), gekleed in zijn gebruikelijke zwart-wit, gaat met een zucht tussen ons in zitten op het dakterras van het Marriott Hotel. Doet beleefd zijn zonnebril af om de journalisten op te nemen met zijn onder zware oogleden verborgen, vandaag extra vermoeide ogen. „How are ya?”

Benicio del Toro heeft het druk dit jaar in Cannes. Hij staat op de rode loper met drugsthriller Sicario, deed de lispelstem van De Slang in animatiefilm The Little Prince en geeft nu een rondje interviews voor A Perfect Day, een komedie in de traditie van M*A*S*H en Catch-22. Als hulpverlener Mambrú moet hij in de nadagen van de Bosnische oorlog een moddervet lijk uit een waterput zien te takelen.

Del Toro ziet Mambrú als een „ingeslapen leider”, zegt hij. „Als hulpverlener zie je zoveel vreselijks, dat kan je alleen met galgenhumor compenseren. Anders stort je in, het is een soort aspirine voor de geest. Maar humor wordt ook een soort harnas, het maakt cynisch. Mambrús houding is: laten we de zaken niet pushen. Maar zijn altruïstische gen, de reden dat hij ooit hulpverlener werd, smeult nog ergens. Het heeft een vonkje nodig, zoals een naïeve jonge collega.”

Niet dat Benicio del Toro zelf indertijd veel van de Bosnische Oorlog van 1992-1995 meekreeg: hij had het toen te druk met carrière maken. „Ik zag wel iets op tv over Sarajevo. Maar dat is een van de leuke dingen van film: je blijft bijleren. Nu heb ik me heel grondig ingelezen. Wow, wat een verhaal, hoe Joegoslavië in slow motion verkruimelde.”

Stella Adler

Del Toro brak in die tijd net door als acteur. Zoon van juristen uit Puerto Rico, verhuisde hij op zijn twaalfde naar Pennsylvania en ging bedrijfskunde studeren in San Diego. „Acteren is me overkomen. Ik rolde erin, ik gaf er nooit mijn ziel en zaligheid aan.” Hoe dat ging? Del Toro schilderde graag, nog steeds. Maar dat was geen bijvak, dus probeerde hij theater. En dat beviel enorm. Hij kreeg een beurs voor Stella Adler Conservatory in Los Angeles, waar hij method acting leerde. „Ze doen heel moeilijk over The Method, maar ik leerde er vooral dat acteren een serieus vak is. Mijn familie loog ik een beetje voor. Eerst dat acteren studiepunten opleverde voor bedrijfskunde, daarna dat ik op het punt stond een heel grote rol te krijgen.”

Hij zou zijn dochter Delilah, bijna vier, het vak ook niet aanraden. „Je hebt als acteur weinig controle over je lot. Wil je hulpverlener worden, dan word je dat gewoon. Maar acteur of filmster? Talent en uiterlijk helpen, maar je moet het geluk hebben om tegen die goede rol, film of regisseur aan te lopen. Het is een loterij.”

Al kan je je afvragen of het geluk is dat Del Toro in 1989 als 21-jarige de jongste ‘handlanger’ ooit mocht spelen in een James Bondfilm, License to Kill. Zijn Dario was een stereotiepe latinoschurk: een sexy, sadistische messentrekker. Door die rol werd hij een professioneel tv- en filmacteur – op de planken tref je Del Toro niet – maar echt opgemerkt werd hij pas zes jaar later in de surprisehit The Usual Suspects, waarin hij de onverstaanbare gangster Fenster speelde. Effectbejag is hem niet vreemd: zo kwam hij in 1998 achttien kilo aan als Dr. Gonzo in Fear and Loathing in Las Vegas en verloor hij in 2007 vijftien kilo als Che Guevara die wegteert in de jungle van Bolivia.

„Het is gek”, zegt Benicio del Toro. „Ik heb zoveel films gedaan en het proces is altijd gelijk. Je hebt je script, je research, je regisseur, je tegenspelers, je kleedkamer. Je denkt wel zo’n beetje te weten wanneer het goed wordt. En soms haat je jezelf dat je voor een rol tekende. Bij The Usual Suspects dacht ik: dit is zo overdreven, dat wordt niks. En dan blijkt het je beste film tot zover. Bij Fear and Loathing dacht ik juist: fantastisch. Dat vind ik nog steeds, maar niemand kwam kijken. Je moet gewoon je best doen en soms is het dan opeens ‘klik’. Maar wat jouw bijdrage is?”

Ook om die reden vindt Del Toro het hoog tijd om zijn eerste speelfilm te regisseren. „Mijn broer, een arts, zegt: man, je bent steenrijk en ik hoor je alleen maar klagen. Maak dan zelf een film. Dat is in zekere zin onvermijdelijk, want ik acteer nu 25 jaar. Je werkt met de besten: Robert Rodriguez, Oliver Stone, Iñárritu, Julian Schnabel. Dan ga je onwillekeurig denken als een regisseur. Waarom zet hij die camera daar neer? Dat shot is toch overbodig? Daarom gaan acteurs regisseren.”

Narcogangster

In Cannes wordt Benicio del Toro die week met de neus op een ander feit gedrukt. Bij de persconferentie van Sicario, een thriller over de Mexicaanse drugsoorlog, vraagt een journaliste of deze hereniging met de cast van No Country for Old Men beviel. Alleen: in die film speelde Javier Bardem de schurk tegenover held Josh Brolin, niet hij. Een veelzeggend foutje: Benicio del Toro is al sinds Miami Vice Hollywoods favoriete latinoschurk; straks speelt hij de Colombiaanse cokebaron Pablo Escobar. „Wat betreft cocaïne ben ik een oud oorlogspaard”, grinnikt hij. „Ik vind het leuk om zulke schurken te spelen, de menselijkheid te vinden in afstotelijke figuren.”

Maar echt trots is hij op zijn vertolking van Che Guevara en van Javier Rodriguez in Traffic, een mozaïekfilm over de drugsoorlog die hem een Oscar opleverde in 2000, zegt hij. Toen hij die rol kreeg, was Javier een Mexicaanse straatagent die zich in Tijuana meedogenloos naar de top van een cokekartel moordt. Del Toro deed research in Tijuana en wist regisseur Steve Soderbergh over te halen Javier tegen de gebruikelijke stereotypen in om te schrijven tot het geweten van de film.

Bijkomend voordeel: sindsdien krijgt hij ook heldenrollen als Mambrú. Kijkt hij zijn oude films wel eens terug? „Nooit, of het moet toevallig op tv voorbij komen. Het is vreemd je jongere ik te zien acteren. Zeker als je nooit in de spiegel kijkt, zoals ik.”