Oog voor de kleine menselijke rampen

(47) is actrice en schrijfster. Zij schreef haar toneeldebuut Sophie speciaal voor Tjitske Reidinga. „Terwijl ik schreef, hoorde ik haar stem in mijn hoofd”.

De laatste weken, zegt Roos Ouwehand (47), voelt het alsof ze haar kind weer naar de crèche heeft gebracht. Aan de andere kant van de stad repeteert Tjitske Reidinga Sophie: het eerste toneelstuk van Ouwehand, speciaal voor haar geschreven. „En intussen zit ik hier. Dat is raar. Maar ik weet dat mijn stuk in goede handen is.” Nu de try-outs zijn begonnen ervaart Ouwehand wel „een lichte druk op de borst. Vanavond in Schiedam zit er publiek, dat mijn zinnen hoort, en lacht – of niet. Of huilt, of niet. Zo idioot! Ik kan me met de beste wil van de wereld niet voorstellen dat het slecht is. Maar gaat het werken? Dat is de grote vraag.”

In haar debuut als toneelschrijver doet Ouwehand iets gewaagds. Sophie toont het hele leven van een vrouw. We zien Sophie op achtjarige leeftijd, een dromerig meisje, en op haar 17de, als goedgebekte puber. Even is ze een getroebleerde twintiger, dan een paniekerige jonge moeder en later een bedaagde veertiger. We zien haar op haar 65ste, 77ste, en op haar 87ste, als ze voor het laatst even rondkijkt in haar oude kamer. Licht uit. Doek. Applaus.

De grote dramatische hoogtepunten in het stuk zijn aards en alledaags: echtscheiding, de dood van een ouder. Dat verschilt nogal van het klassieke toneelrepertoire, met zijn inteelt, wraak en moord. Ouwehand: „Ik wilde een stuk schrijven over een gewoon leven – al staat het woord ‘gewoon’ me niet aan: niemand is gewóón. Maar het is geen groots traditioneel toneel – er verschijnt geen deus ex machina, de opkomst van de verloren zoon blijft uit. Dat wilde ik onderzoeken, heel eigenwijs: kan het desondanks goed toneel zijn? Daarbij: ik maak wat ik kan. Dat grote drama zit gewoon niet zo in mij.”

Je hebt niet overwogen om grotere thema’s aan te snijden?

„Nooit. Ik schrijf over mijn eigen ervaringen, en die van Tjitske en andere vriendinnen. Al is het met nadruk géén autobiografisch stuk. Alles wat ik beleef, verhalen die ik hoor van vrienden of familie, het gaat allemaal de machine in en komt er als een grote hutspot weer uit.”

En actualiteit? Het vluchtelingenprobleem? Voelde je je niet geroepen daar iets over te schrijven?

„Ik dacht van de week wel even: Jezus, de wereld staat in brand en ik schrijf over een vrouw in een kamer. Er zit geen enkele verwijzing in naar politiek, totáál niet! Als ik daar iets zinnigs over te zeggen had, zou ik het meteen doen. Maar ik ben gewoon beter in de kleine menselijke rampen.”

Ouwehand is een dubbeltalent: schrijfster en actrice: ze speelde tien jaar bij Toneelgroep Amsterdam. Als auteur op de achterpagina van NRC Handelsblad kreeg ze plezier in het schrijven, of, zoals ze zelf zegt: in het pielen met woorden. „350 woorden voor kop, staart en clou, en liefst nog iets van gevoel erin. Daar leer je spaarzaam van schrijven.” In 2009 kwam er een boek: Eigenlijk ben ik Spaans, over acteur Joop Admiraal. In 2013 volgde tv-serie Doris, ook met Reidinga. Ouwehand schrijft film- en tv-scenario’s en speelt in De Affaire. En nu is er dus haar toneeldebuut. Over een vrouw. In een kamer.

Als kind zien we Sophie met een buurjongetje in haar meisjeskamer spelen. Als dertiger logeert ze er met Kerst, en na de dood van haar moeder, als ze het ouderlijk huis erft, trekt ze er weer in. Het hele toneelstuk speelt zich in die ene kamer af. Dat was haar grote trouvaille, zegt Ouwehand, geïnspireerd door het gedicht ’Vertrek van dochters’ van Rutger Kopland. „Daarin staat een vader in de oude kamer van zijn dochters, en ziet uit het raam het decor van hun jeugd, die voorbij is. Dat beeld van die man in die kamer zie ik vaak voor me.”

Werd je in het schrijven niet belemmerd door die plaatsbepaling?

„Een leven is natuurlijk nog geen verhaal. Ik moest structuur aanbrengen: welke momenten toon je, wat laat je weg? Vaststond dat ik de paniek wilde laten zien die je met jonge kinderen kan overvallen. Er moest een scheiding in, en de dood van een ouder – die grote, vormende gebeurtenissen in kleine levens. Toen ik die kamer bedacht, viel alles op z’n plek. Als Sophie uit huis is, wanneer komt ze daar dan weer? Met Kerst, na een begrafenis. De ruimtelijke beperking gaf juist vrijheid, ik kon de scènes er heel logisch, klikklik, als legoblokjes inpassen. En ik vind het mooi dat die ruimte op zich betekenis heeft: daar worden herinneringen gemaakt en opgeslagen. Die kamer heeft historie.”

Je schreef het stuk speciaal voor Tjitske Reidinga, hoe ging dat in zijn werk?

„We kennen elkaar goed, en veel van wat wij meemaken en bespreken, over onze levens, gezinnen, huwelijken, belandde op de een of andere manier, vervormd, in dit stuk. Terwijl ik schreef, hoorde ik haar stem in mijn hoofd. Ik wilde Sophie laten klinken zoals Tjitske praat: droogkomisch, relativerend, met goed geplaatste grappen, óók als het over iets ergs gaat. En toch durfde ik lang niet te zeggen: hier, ik heb een stuk geschreven, wil jij het spelen? Want wat als ze er niks aan vond? Ik heb daar een beetje bescheten mee gewacht. Toen ze het uiteindelijk las, was het gelukkig razendsnel duidelijk.”

Ze zei dat ze vanaf pagina 60 niet meer op kon houden met huilen.

„Het is een beetje raar om dat te zeggen, maar daar was ik heel blij mee, haha. Ze zei ook meteen: ‘Dit gaat natuurlijk niemand anders doen.’”

In Sophie vallen de rake zinnetjes en typeringen op, waarvan de lezer zich meteen voor kan stellen hoe Tjitske Reidinga ze op toneel doeltreffend debiteert. Zo heeft iemand ‘een olifant van een depressie’, en is de hond ‘zo waakzaam als een fruitmand’. Ouwehand: „Hahaha. Ja, is dat niet flauw? Soms twijfel ik daarover. Maar zo praten mensen toch? In elk geval de mensen die ik ken.”

Kom je zo op dat soort zinnen? Uit je omgeving?

„In het stuk vraagt het zoontje van Sophie: ‘Mama, hoe groot is buiten?’ Dat heeft mijn zoon toen hij drie was letterlijk zo gezegd. Hij is nu 14, maar dat heb ik altijd onthouden.”

Of neem de opmerking van die ernstig zieke in het stuk, over de mogelijkheid van euthanasie: ‘Als ik niet meer zelf de krant van de mat kan halen’. Dat is typisch Ouwehand: de zin is aards en concreet, maar roept een veel groter gevoel op. „Ik vond dat een mooi beeld van autonomie. Dit zinnetje hoorde ik op de begrafenis van Jaap Jansen, de weduwnaar van Joop Admiraal. Jaap had dat tijdens zijn ziekte gezegd. Tijdens het schrijven borrelt zo’n zinnetje op het goede moment weer omhoog.”

Er moest een scheiding in, zei je, waarom?

„Voor wie leeft in vrede en welvaart zijn dat de grote drama’s in het leven. Het overlijden van geliefden, het mislukken van een huwelijk; afscheid nemen. Ik zie het zo vaak om me heen gebeuren; scheiden is een onderdeel van het leven geworden.”

Was de veelbesproken scheiding van Tjitske Reidinga, die verliefd is geworden op collega-acteur Peter Blok, ook een inspiratiebron?

„Iets van het verdriet en de pijn waarmee zo’n periode gepaard gaat, heeft z’n weerslag gevonden in het stuk. Maar nergens letterlijk of concreet; het is allemaal onderdeel van de grote hutspot geworden.”

Je bent zelf kortgeleden ook gescheiden.

„Ja, maar toen was het stuk al af. Omineus, nee, zo heb ik het nooit gezien. Zoals ik zei: het is absoluut niet-autobiografisch. In het stuk gaat haar man ervandoor met Petra van de pr-afdeling, zoiets was bij ons niet aan de hand, gelukkig.”

De scheiding van Sophie lijkt zich tamelijk pijnloos te voltrekken.

„Scheiden is altijd pijnlijk, ook als het, zoals bij mij, in vriendschap gebeurt. Het is niet zo dat ik in Sophie de pijn van de scheiding opzettelijk heb ontweken. Maar de beperking van die kamer en de tijdsprongen maken dat veel zich afspeelt aan de rand van het drama. We zien Sophie niet op de begrafenis van haar moeder, maar erna. De pijn zit tussen de regels door. Als haar dochter met stiefmoeder Peggy – voor de goede verstaander: dat is dus alweer een ander – haar eerste bh’tje koopt, bijvoorbeeld. Dat vind ik interessanter dan in te zoomen op de emotie. Plus: Sophie is een doorzetter, zij bekijkt niet alles van de ‘o wat is het toch moeilijk’-kant. Dat geldt voor mij ook. Ik kan tot hier vol zitten, en toch een interview geven.”

Je gaf ‘Sophie’ een motto mee, ook van Kopland: ‘Wij zijn gemaakt van tijd’. Wat bedoel je daarmee?

„Dit stuk gaat over het rad van de tijd dat maar doordraait. Je bent constant bezig met spaghetti maken en je band plakken en onderbroeken kopen bij de Hema, en maar heel af en toe lukt het om daar je hoofd bovenuit te steken en te zien: ‘o ja, hier ben ik nu.’ Om stil te staan en te beschouwen. Dat heb je soms op grote momenten, zoals een begrafenis, maar het kan ook gewoon gebeuren op een donderdagmiddag aan de keukentafel.”

Première Sophie 15/11. T/m 23/12 te zien in het DeLaMar in Amsterdam. Zie delamar.nl