James Baldwin, een geweldige schrijver, ook over film, is terug

Toen vorig jaar zijn negentigste geboortedag werd herdacht, verschenen nog bezorgde artikelen: werd James Baldwin (1924-1987) nog wel gelezen, of was zijn werk inmiddels definitief bijgezet in de geschiedenis? Die vraag zal nu niet zo snel meer opkomen. Dat heeft alles te maken met het succes van Between the World and Me van Ta-Nehisi Coates, het boek in de vorm van een brief aan zijn zoon waarin Coates reflecteert op zijn leven als zwarte man in de VS. Het werk van Coates is doortrokken van de geest van Baldwin – van de lyrische stijl en sommige formuleringen, tot aan de gekozen vorm. Ook Baldwin begon zijn beroemde boek The Fire Next Time ooit met een open brief gericht aan een kind: zijn neefje James.

Baldwin, een geweldige essayist, was ook een voortreffelijk schrijver over film: een medium dat hij liefhad, maar dat hij tegelijk diep wantrouwde. In zijn filmboek The Devil Finds Work (1976) schrijft Baldwin, heel persoonlijk, over de onvergetelijke indruk die ‘de rechte, smalle en eenzame rug’ van Joan Crawford op hem maakte als kind in Harlem in de jaren twintig. En hoe hij – door zijn vader ‘lelijk’ genoemd vanwege zijn ‘kikkerogen’ – opleefde toen hij ontdekte dat Bette Davis net zulke uitpuilende ogen had.

Film wekte zijn verbeeldingskracht, schrijft Baldwin: films spelen zich immers niet alleen op het doek af, maar vooral in de geest. Maar hij wantrouwde tegelijk de populaire kunstvorm die werd geboren met The Birth of a Nation – het epos van D. W. Griffith met een heldenrol voor de Ku Klux Klan, door Baldwin omschreven als „een uitgebreide rechtvaardiging voor massamoord”. Juist films met een ogenschijnlijk progressieve boodschap, zoals Guess Who’s Coming To Dinner waarin Katharine Hepburn en Spencer Tracy hun aanstaande zwarte schoonzoon Sidney Poitier over de vloer krijgen, fileert hij: Poitier speelt een briljante tropenarts, zo intens keurig en perfect, dat elke spanning al bij voorbaat uit de film verdwijnt.

Baldwin wist dat de fantasieën – en de leugens – van film niet zonder consequenties blijven: de ideeën die mensen meenemen uit de bioscoop werken door in de samenleving – ten goede en ten kwade. Voor zwarte acteurs, schrijft Baldwin, is vaak de enige optie om tegen een onbevredigend, ongeloofwaardig verhaal in te spelen: „Met hints van de werkelijkheid die als smokkelwaar in een sentimenteel verhaal zijn verstopt, en met de kracht om het verhaal te verbrijzelen.”