Foto’s van een stad met littekens

Fotograaf Leonard Freed legde het joodse na-oorlogse leven in Amsterdam vast. Daar is nu een tentoonstelling van.

Het is 1957, en de dinertafel in het Carlton Hotel aan de Vijzelstraat in Amsterdam is chic gedekt: bloemstukken, zilveren kandelaars, een kristallen asbak. Het gesoigneerde gezelschap luistert aandachtig naar een speech. De dertienjarige Naftali is bar mitswa geworden: religieus meerderjarig.

Dat zou de beschrijving van de foto, gemaakt door de Amerikaanse Leonard Freed, kunnen zijn. Maar je zou ook kunnen zeggen: aan deze tafel zit een groep Holocaustoverlevenden.

De tentoonstelling De oorlog voorbij, nu in het Joods Historisch Museum in Amsterdam, kun je vanuit beide invalshoeken bekijken. De ruim 150 foto’s van Freed (1929 – 2006) tonen het leven van joodse Amsterdammers die amper tien jaar geleden het ergste van het ergste meemaakten, maar nu weer de draad oppakken.

De foto’s, alle in zwart-wit, zijn registrerend: een synagogedienst, een dansfeest, het Waterlooplein. Esthetisch gezien niet spectaculair: slordige kadering, sommige foto’s zelfs onscherp. Maar wat wel opvalt is de blik van de geportretteerden: ze merken de fotograaf niet op. Dat komt omdat hij tot het laatste moment wachtte met het uit zijn zak halen van zijn Leica en altijd zonder flits schoot, zegt conservator Bernadette van Woerkom.

Wat de documentatie bijzonder maakt is dat naoorlogs joods Amsterdam in de jaren vijftig nauwelijks gefotografeerd is, vertelt Van Woerkom. „De gemeenschap was getraumatiseerd, en daardoor in zichzelf gekeerd en wantrouwig naar de buitenwereld.” Succesvolle joodse fotografen uit die tijd, zoals Philip Mechanicus, Emmy Andriesse en Sem Presser, waren geassimileerd en niet geïnteresseerd in het vastleggen van religieus leven. Pas in de jaren zestig, door het proces tegen SS-functionaris Adolf Eichmann en de tv-optredens van Loe de Jong over de Oorlog in Nederland, groeide het besef over wat Nederlandse joden hadden doorstaan.

Hier maakte Freed zijn eerste foto’s

Freed, Amerikaans-joods met Oost-Europese wortels, koos in eerste instantie voor Amsterdam vanwege het kunstklimaat. Hij was bevriend met kunstenaars van COBRA. Hier zette hij zijn eerste stappen als fotograaf, en leerde werken in de donkere kamer. Pas ter plekke ontstond het idee om de joodse gemeenschap te fotograferen (plus een andere minderheid: de Indo’s). Om geld te verdienen verkocht hij foto’s: de eerste aan het Algemeen Handelsblad.

Freed werkte twee jaar in Amsterdam: in 1953 en in 1957. In 1958 verscheen Freed’s fotoboek Joden van Amsterdam. „In die tijd was het nog ongebruikelijk om je als fotograaf zo lang op één thema vast te leggen. Freed dompelde zich helemaal onder in het onderwerp”, zegt Van Woerkom. Later zou hij bekend worden met zijn foto’s van andere groepen in de samenleving: van Martin Luther King, Jr. en de burgerrechtenbeweging tot Amerikaanse politieagenten. Van Woerkom: „Wat Freed kenmerkt is dat hij het gewone leven in de grote geschiedenis vastlegde.”

De foto’s in het laatste gedeelte stralen energie uit, misschien wel door het onderwerp: de jongeren van toen. Stanny van Baar, toekomstig schoonheidskoningin, danst rock & roll in een jurk met wespentaille. Maar ze hebben ook iets droevigs. Zoals de foto’s van Lina Aardewerk, die afscheid van haar vrienden neemt in een café, om in Amerika een nieuw leven te beginnen (ruim eenderde van de Nederlandse joden vertrok naar de oorlog naar Amerika of Israël). Met een afwezige blik staat ze met twee koffers op Amsterdam Centraal.

De wereld die Freed vastlegde is inmiddels vervlogen. Van de generatie die de oorlog overleefde (20.000 van de 80.000) is driekwart overleden, de gemeenschap bestaat voor eenvijfde uit Israeli’s en het leven heeft zich naar Amsterdamse buitenwijken als Buitenveldert verplaatst.

In een boek dat in 1997 verscheen schreef Freed, weer terug in Amerika: „Ik mis Amsterdam. De littekens van de oorlog waren nog zichtbaar en de eerste stralen van de toekomst kwamen door. Het was een periode waarin ik volwassen werd.”