Column

Flegma

Wie van ons beweegt zich zonder pose door het openbare leven? Wie blijft onder vrijwel alle omstandigheden onverstoorbaar? Kennen we onze eigen gebaartjes, loopjes en tics wel goed genoeg, of hebben we die verdrongen? Vermoedelijk herkennen we ze eerder bij een ander dan bij ons zelf.

Ik kom op deze vragen dankzij de Amerikaanse schrijver F. Scott Fitzgerald (1896-1940), die er terloops enkele pagina’s aan wijdde in zijn roman Tender Is the Night. Veel van zijn werk speelt zich af in de betere, nogal decadente kringen, die van The Beautiful and Damned om een andere roman van hem te noemen. In Tender Is the Night is een jonge Amerikaanse psychiater, Dick Diver, de hoofdpersoon. Hij is getrouwd met Nicole, een rijke, maar gestoorde vrouw, en hij begint een relatie met een jonge actrice; daarna stort zijn leven in.

Op een dag zit Diver met vrienden in een Parijs’ restaurant de andere gasten te observeren. Fitzgerald schrijft (in de vertaling van Henne van der Kooy): „Een goedgeklede Amerikaan was binnengekomen met twee vrouwen, die vrijmoedig rond een tafel draaiden en fladderden. Plotseling merkte hij dat er naar hem gekeken werd – waarop zijn hand schokkend omhoogkwam en een niet-bestaande bobbel in zijn stropdas rechttrok. In een ander groepje wachtenden tikte een man voortdurend met zijn handpalm op zijn geschoren wang en de man met wie hij samen was bracht mechanisch een eindje koude sigaar omhoog en omlaag. De gelukkiger gasten vingerden aan hun bril en hun gezichtsbeharing, degenen die die attributen misten streelden nietszeggende monden of trokken zelfs wanhopig aan hun oorlelletjes.”

Volgens Diver had, hem uitgezonderd, geen enkele Amerikaan ook maar enige flegma. Wie flegma heeft, kan het zonder al die gewoonten stellen. Flegma is vrij zeldzaam. Het is volgens Van Dale aangeboren gemoedskalmte; synoniemen zijn onaandoenlijkheid, onverstoorbaarheid. Maarten van Rossem lijkt me een goed voorbeeld van zo’n flegmaticus. Willem van Hanegem komt ook aardig in de buurt.

Maar bij flegmatici weet je – afgezien van hun intimi – nooit in hoeverre ook hun houding een pose, één groot maniertje, is. Blijven ze ook flegmatiek als ze, met de broek op de knieën, betrapt worden door hun partner tijdens een buitenechtelijk avontuurtje?

In dat restaurant legt Diver ook nog een bekende Amerikaanse generaal langs de meetlat van zijn flegma. De man staat ontspannen te wachten tot hem een zitplaats gewezen wordt, maar als hij gaat zitten valt hij toch nog door de mand: met iets van razernij laat hij zijn hand omhoogschieten en krabt hij zijn onbevlekte, grijze hoofd. „Zien jullie”, zei Dick zelfvoldaan, „ik ben de enige.”

Toch valt Divers flegma later vaak tegen; op nogal wat plekken in de roman schiet ook hij in de stress. Zijn flegma wordt een pantser met roestige plekken. „Hij was zichzelf kwijtgeraakt – hij kon niet zeggen op welk uur, of dag, of week, maand of jaar.”

Maar ook al zullen de meest onverstoorbare flegmatici weleens falen, er is alle reden om jaloers op ze te zijn. De ongedwongenheid waarmee zij publieke gelegenheden binnengaan, de rust waarmee ze debatteren, de zelfbeheersing waarmee ze conflictueuze situaties neutraliseren – wie zou dat niet willen?

Wat zegt u? U heeft het niet nodig, u heeft al genoeg flegma? Sorry, dan heb ik niets gezegd. Mag ik wat van u lenen?