De angst van een pleegkind gaat door merg en been

Pleegzorg groeit, en dat vergt meer pleeggezinnen. Benny en Ria van Dijk zijn na veertig kinderen „een klein beetje opvoedmoe”. Maar: „Het was zo goed voor kinderen als het lukte.”

Benny en Ria van Dijk vingen hun pleegkinderen op in Sibculo (Overijssel), in hun woning grenzend aan een klein bos. Ze hebben zelf vier kinderen. Op de foto’s staan hun kleinkinderen. Foto’s Floren van Olden

Er zullen Fransen zijn die zich de familie Van Dijk goed kunnen herinneren. Mensen die voor hun rust op een camping stonden, net hun boterhammen uit hun tas hadden gehaald en plotseling een enorme vouwwagen het terrein op zagen rijden. Benny van Dijk: „Dan ging de deur open en stapte het ene na het andere kind uit.” Ria van Dijk: „En daarna wij met proviand voor drie weken. Je zag ze denken: o nee, daar gáát onze rust.”

Benny en Ria – hij is rijschoolhouder, zij medewerker in de jeugdzorg – waren dertig jaar lang pleegouders. Zo’n veertig kinderen – ze zijn de tel kwijtgeraakt – vonden onderdak in hun riante woning in Sibculo, een klein dorp in Overijssel op een steenworp afstand van de grens met Duitsland.

Soms bleven de kinderen een paar weken (crisisopvang), soms kwamen ze in weekenden en vakanties (deeltijdpleegzorg), en in ruim de helft van de gevallen bleven ze langer dan een jaar. Recordhouder is Michael, die achttien jaar bij het echtpaar woonde. Over hem later meer.

De eerste keer

Ria: „Ik deed vrijwilligerswerk in de kerk. Dan kwam ik wel eens jongeren tegen die het thuis moeilijk hadden. Een van hen nam ik mee naar huis. In die tijd bestond de organisatie Pleegzorg nog niet.”

Benny: „Als rij-instructeur had ik een maatschappelijk werker als klant. Ik vertelde hem over die jongen. ‘Als je écht iets voor tieners wil doen moet je pleegouder worden’, zei hij.”

Ria: „We klopten aan bij Jeugd onder Dak, een centrale voor pleegzorg. Die brachten ons in contact met een zestienjarig meisje. Anouk had in allerlei internaten en tehuizen gezeten. Ze ging niet naar school. Haar moeder had zelfmoord gepleegd. Bij Jeugd onder Dak wilden ze haar nog één kans geven.”

Naïef

Benny: „Wij dachten: we gaan haar redden!”

Ria (lacht): „We waren behoorlijk naïef. Na een tijdje bleek dat Anouk een loverboy had. Ze lag de hele dag op de bank. Eerst liet ik haar haar gang gaan. Later dacht ik: ik moet weer baas in eigen huis worden.”

Benny: „Toen we eisen gingen stellen, wilde ze weg.”

Ria: „Ze is opgenomen in de psychiatrie. Heeft zelfs in een isoleercel gezeten. Heel indrukwekkend.”

Benny: „Achteraf denk je: ze had nooit in een gezin geplaatst mogen worden.”

Ria: „En toch besloten we vrij snel daarna: we gaan door.”

Ria: „Je wil niet weten wat pleegkinderen soms hebben meegemaakt. Ik herinner me een kind met afdrukken van sigaretten op zijn lijf. Een kind dat was gedwongen toe te kijken bij de seksuele handelingen van haar ouders. Een kind dat werd opgesloten in een kast als zijn ouders even geen oppas konden vinden.”

Benny: „Ik zag veel angst. Dat ging door merg en been.”

Ria: „We hebben een meisje in huis gehad dat in haar kleren sliep. Laag over laag, ook in de zomer. Bleek later dat ze seksueel misbruikt was.”

Benny: „Toen ik haar tijdens een spelletje aantikte, schreeuwde ze het uit van schrik: ‘Je hebt Ria toch, blijf van me af!’”

Ria: „Gelukkig kregen we goede begeleiding: één keer in de twee weken een maatschappelijk werker en twee keer per jaar overleg met een multidisciplinair team. Ik heb veel baat gehad bij de gespreksgroep met andere pleegouders. En bij een cursus aan de hogeschool: hoe ga je om met seksueel misbruikte kinderen?”

Benny: „Ria heeft zich zelfs ingeschreven voor een studie sociaal-pedagogische hulpverlening. We deden er alles aan te begrijpen waar we mee geconfronteerd werden.”

Hechting

Benny: „Ik heb mij niet aan al die veertig kinderen gehecht. Dat zou onmogelijk zijn. Met de één bouw je een intensieve relatie op, met de ander eindigt het in sporadisch contact. Dat is mij om het even.”

Ria: „Het ene kind spreekt je meer aan dan het andere. Dat mag.”

Benny: „Het is geen waardeoordeel.”

Ria: „Natuurlijk was het wel eens moeilijk afscheid nemen. Als een kind ging studeren, terugging naar zijn biologische ouders of de veiligheid van een gezin niet aankon. Ik heb geregeld gehuild om die lege plek.”

De motor loopt weer

Benny: „Als ze naar een goede plek gingen, waren wij tevreden. Dan was onze taak volbracht. Ik vergelijk het wel eens met een garage. De motor loopt weer, het voertuig kan weg. Ik zou niet met al die kinderen intensief contact willen. Stel je voor dat hier ieder weekend veertig mensen op bezoek komen.”

Ria: „Voel je niet verplicht langs te komen, zeiden we bij het afscheid. Maar weet dat je aan kunt kloppen als er problemen zijn. Ik ben blij met ieder Facebookbericht. Of laatst dat kaartje van een pleegdochter die met haar kinderen op een camping in Frankrijk zat. Ze had hun over ons busje verteld.”

Benny: „Je relatie moet wel stevig zijn. Want laten we wel wezen: er komt heel wat op je af. Als er een crisis was, trokken Ria en ik ons terug in het washok om te praten. Dan wisten de kinderen: niet binnenkomen zonder kloppen. We moesten koste wat ’t kost op één lijn zien te komen.”

Ria: „Ik herinner me een meisje – Benny was helemaal gecharmeerd van haar – dat ’s avonds stond te koken als ik thuiskwam van mijn werk. ‘Hoe was je dag’, vroeg ze. Waarop ik dacht: dat is toch mijn rol? Benny snapte er niets van, maar het dééd iets met mij. Alsof zij de vrouw des huizes was. Toen hebben we afgesproken: jij gaat huiswerk maken als je uit school komt. Ik zorg dat het eten op tafel komt.”

Benny: „We hebben heel wat crises overleefd. Ria en ik hebben een dijk van een huwelijk.”

Ruimte maken

Ria: „Ik kan niet ontkennen dat onze eigen kinderen, drie dochters en een zoon, het wel eens moeilijk hebben gehad. We betrokken hen bij iedere beslissing, maar hakten zelf de knoop door: wel of geen nieuw pleegkind. Een van mijn dochters heeft wel eens gezegd: ik heb jou nooit voor mezelf gehad. Daar had ze gelijk in. In die tijd hadden we vier pleegkinderen in huis. Als er een begeleider op gesprek kwam, gingen onze eigen kinderen naar hun kamer. Ze moesten letterlijk en figuurlijk ruimte maken.”

Benny: „En weet je nog van die portemonnee?”

Ria: „De portemonnee die mijn andere dochter in haar jas in de gang had laten zitten. Terwijl we hadden afgesproken dat ze dat niet zou doen, omdat een van onze pleegkinderen stal. Toen ik haar kamer binnenstormde om haar aan die afspraak te herinneren, zei ze: ‘Ik wóón hier, mama.’ Toen moest ik echt even resetten. Ik wilde geen politiestaat maken van mijn gezin.”

Benny: „We vonden het heel belangrijk dat onze pleegkinderen contact hadden met hun biologische ouders. Of, als dat niet kon, met een broer of een zus.”

Ria: „Kinderen zijn loyaal naar hun biologische ouders. Ze kunnen niet bij mensen worden opgenomen waar hun ouders een pesthekel aan hebben. In die zin is het niet anders dan bij gescheiden ouders.”

Benny: „We deden er alles aan om contact te leggen. Ook als dat jaren in beslag nam. Het patroon was vaak hetzelfde: eerst een kaartje, dan een belletje, dan gedetailleerde afspraken over de omstandigheden waaronder ouder en kind elkaar ontmoetten.”

Ria: „Het was zó goed voor kinderen als het lukte. Voor ons allemaal eigenlijk. Maar het is ook vaak genoeg misgegaan, hoor. We kregen veel woede van biologische ouders over ons heen. Ik heb brieven waarin we naar de hel verwenst worden. We hebben zelfs één keer politiebescherming gehad. Moesten we ramen en deuren dichthouden en reed er een surveillancewagen rond.”

Michael

Ria: „Met Michael heb ik in de loop der jaren een hechte band opgebouwd. Hij is echt mijn jong.”

Benny: „Ik weet nog goed dat de maatschappelijk werker over hem vertelde: ‘We hebben een jongetje van zeven dat niet meer wil leven.’ Dat maakte indruk.”

Ria: „Het raakte ons.”

Benny: „Dat ook. Kom je in een medisch kinderhuis en zie je een onooglijk mannetje rondjes fietsen. Andere kinderen aten patat, hij fietste maar rondjes.”

Ria: „Hij woog zeventien kilo.”

Benny: „We zijn tien keer op en neer naar Zeist gereden. Het moest met veel beleid. Hij at niet en toonde geen emotie.”

Ria: „Zijn moeder had tegen hem gezegd: ‘Ze gaan je meenemen, want ik wil je niet meer tegenkomen, ook niet per ongeluk.’”

Benny: „Michael deed wat zijn moeder wilde: niet meer bestaan.”

Ria: „We hebben hem in alles moeten trainen. Weer leren voelen, als het ware. Er was geen ‘ik’. Hij had zichzelf vernietigd.”

Zo’n leeg kind

Benny: „In het psychiatrisch ziekenhuis hadden ze nog nooit zo’n leeg kind gezien. Inmiddels heeft hij een baan en een vriendin. Onvoorstelbaar, toch?”

Ria legt haar hand op de schouder van Benny. „Het ontroert je nog, hè?”

Aan het eind van het gesprek vertellen Ria en Benny dat ze „een beetje opvoedmoe” zijn. Ria is 58, Benny 60. Inmiddels hebben ze vijftien kleinkinderen, die bijna elke zondag op bezoek komen. Twee jaar geleden hebben ze het laatste pleegkind uitgezwaaid.

Ria: „Het is heerlijk om te kunnen zeggen: ik heb geen zin om te koken, laten we uit eten gaan.”

Benny: „En bijpraten doen we nu gewoon op de bank. Daar hebben we het washok niet meer voor nodig.”