Staat verliest minder dan gedacht op ABN Amro

ABN Amro gaat op 20 november naar de beurs. De verwachte opbrengst: tussen de 15 en 19 miljard euro. Dat betekent een fors verlies, maar kleiner dan gedacht.

De staat gaat een stevig verlies lijden op de verkoop van ABN Amro. Maar dat verlies wordt naar alle waarschijnlijkheid wel aanzienlijk kleiner dan eerder gedacht.

Vandaag maakte ABN Amro de langverwachte datum voor haar beursgang bekend: 20 november, volgende week vrijdag. Tegelijk gaf de bank ook een schatting van de totale opbrengst: tussen de 15 en 19 miljard euro.

Minister Jeroen Dijsselbloem (Financiën, PvdA) rekende eerder op een opbrengst van 15 miljard euro. Als de opbrengst van ABN Amro in het midden van 15 à 19 miljard uitkomt, valt het verlies 2 miljard kleiner uit.

De staat moest ABN Amro in 2008 nationaliseren, na een mislukte overname door drie buitenlandse banken (Santander, Fortis en RBS). De nationalisatie kostte destijds 16,8 miljard euro. Later moest de overheid nog ettelijke miljarden extra bijstorten.

Over de totale kosten voor de staat verschillen de rapportages. Dijsselbloem houdt het op 22 miljard euro. De Algemene Rekenkamer, die de staatsinterventies sinds de crisis bijhoudt, meldt een bedrag van 28 miljard euro.

Minister Dijsselbloem wees er vanochtend op dat de geschatte opbrengst zeker niet definitief is. In eerste instantie brengt de staat slechts 20 procent van de aandelen naar de beurs, 23 procent als er veel vraag is. De aandelen kosten tussen 16 en 20 euro per stuk. Op basis daarvan schat ABN Amro de totale waarde van de aandelen op 15 tot 19 miljard euro. Op de dag van de beursgang wordt de exacte prijs per aandeel duidelijk.

Het duurt waarschijnlijk nog een aantal jaren totdat de staat alle aandelen heeft verkocht – Dijsselbloem wilde vanochtend niet zeggen hoe lang dat precies zal duren. Gedurende die periode kan er van alles gebeuren op de financiële markten, of met ABN Amro, waardoor de opbrengst hoger of lager kan uitvallen.

Vernedering

De bank ervoer de nationalisatie destijds als een vernedering. Het overnametrio knipte ABN Amro op en verdeelde de stukken onderling – ABN Amro was tot dat moment een van de grootste banken ter wereld.

Topman Gerrit Zalm zei vandaag dan ook „verheugd” te zijn over de terugkeer naar de beurs. Zalm, die na de nationalisatie werd aangesteld om orde op zaken te stellen, heeft ingrijpende reorganisaties doorgevoerd met duizenden ontslagen tot gevolg. Volgens hem staat er nu een overzichtelijkere en stabielere bank.

De weg naar de beursgang verliep moeizaam. In maart dit jaar stelde Dijsselbloem die uit na een beloningsrel: de top van de bank had een vaste salarisverhoging gekregen van een ton ter compensatie van het wegvallen van hun bonus. Er ontstond politieke en publieke ophef. Onder die druk draaide het bestuur de salarisverhoging later terug en kreeg ABN Amro alsnog het groene licht om naar de beurs te gaan.

Uit het vandaag verschenen prospectus, een document met alle relevante informatie voor potentiële beleggers, blijkt dat ABN Amro na de beursgang een „beheerst beloningsbeleid” blijft voeren. Dat betekent dat de raad van bestuur geen aanspraak maakt op bonussen, zo lang de staat nog een belang in ABN Amro heeft. Ook hebben de bestuurders tot het laatste aandeel is verkocht geen recht op de ton extra salaris, die ze dit voorjaar inleverden.

Sommige hoge managers maken nog wel aanspraak op een bonus, zo blijkt uit het prospectus, van maximaal 20 procent van vaste salaris. Om hoeveel managers dat gaat, vermeldt het prospectus niet. Na de beursgang kunnen ze een deel van dat bedrag ook uitgekeerd krijgen in aandelen. Het doel is zo gedeelde belangen te creëren met de toekomstige aandeelhouders van ABN Amro.

Zalm en zijn team gaan nu op ‘roadshow’ om potentiële beleggers warm te maken voor de beursgang. De komende twee weken vliegen hij en zijn team de hele wereld over en bezoeken ze tal van mondiale financiële centra.