Darmflora bepaalt succes van immunotherapie tegen kanker

Het soort bacteriën in de darm blijkt een grote invloed te hebben op het aanslaan van immunotherapie tegen kanker.

Het succes van immunotherapie van kanker hangt mogelijk af van de darmbacteriën die de patiënt bij zich draagt. Bij muizen slaat de therapie beter aan wanneer in de darmen bepaalde soorten Bacteroides of Bifidobacterium voorkomen. Het tegengestelde is het geval als antibiotica de darmflora hebben uitgeroeid. Dat schreven Franse en Amerikaanse onderzoekers vrijdag in het wetenschappelijke tijdschrift Science. De studie is van belang omdat de therapie geregeld mislukt zonder dat duidelijk is waar dit aan ligt.

Bij immunotherapie wordt het afweersysteem van de patiënt gestimuleerd met antilichamen, zodat de afweer in staat is de kankercellen aan te vallen en op te ruimen. Dat vuile werk wordt gedaan door zogeheten T-cellen. Kankercellen verdedigen zich hiertegen door T-cellen te remmen.

Immunotherapie wordt nu al gebruikt bij de behandeling van uitgezaaide melanomen, een agressieve vorm van huidkanker, en longkanker. Veel patiënten reageren er goed op, maar bij een tamelijk grote groep haalt de behandeling niets uit of ontstaan er zelfs levensbedreigende bijwerkingen. Bij wie het middel verkeerd zal uitvallen is nog niet te voorspellen.

Omdat de meest voorkomende bijwerkingen in de darm ontstaan, wilden de onderzoekers weten hoe de gebruikte antilichamen daar uitwerken. Via een serie experimenten met muizen wisten zij de rol van de verschillende bacteriesoorten te achterhalen.

De samenstelling van de darmflora is vrijwel zeker niet de enige factor die het succes van de therapie bepaalt. Het UMC Groningen en het Antoni van Leeuwenhoek willen in enkele honderden patiënten die immunotherapie ondergaan allerlei genetische, biochemische en andere kenmerken identificeren. Zo hopen zij een combinatie van factoren te vinden die voorspelt bij welke patiënten deze therapie wel en niet zal werken.