Column

Beter sterven

Doodgaan doe je in je eentje, maar het heeft soms heel wat voeten in de aarde voor het zover is. Enkele recente ervaringen sterkten me in mijn voornemen er daarom nog een poosje mee te wachten – als het aan mij ligt.

Vorige week bezocht ik in de Rode Hoed in Amsterdam een bijeenkomst waarop onder het motto ‘Sterven kan beter’ vier deskundigen debatteerden over de periode die aan de dood voorafgaat. „Hoe houd je kwaliteit van leven, ondanks ouderdom en de gebreken en verlies die daarbij horen?”

Er werd veel verstandigs over gezegd, maar wat mij vooral zal blijven heugen is een waarschuwing van verpleeghuisarts, filosoof en Trouw-columnist Bert Keizer, die overigens binnenkort het verpleeghuis inruilt voor een functie bij de Levenseindekliniek. „Sterven kan beter, als je er maar op tijd mee begint”, zei hij.

Hij vond dat je het bespreken en regelen van allerlei zaken met je naasten niet moest uitstellen tot je sterfbed. Veel stervenden komen immers in een toestand van grote verwardheid terecht, ook wel terminaal delier of sterfbed-delier genoemd, gekenmerkt door „een wisselend bewustzijn, plukkerig gedrag, uitingen van onrust, onsamenhangende waarnemingen en mededelingen”.

Ook adviseerde hij tijdig aan te geven „hoeveel medische poppenkast je nog wilt aan de rand van het graf”. Doe je dat niet, dan loop je het risico van te lange doorbehandeling in het ziekenhuis door overijverige artsen. „Er wordt tegenwoordig in het ziekenhuis toch beter gestorven”, riep een vrouw uit de zaal. „Er wordt in Nederlandse ziekenhuizen vaak beroerd gestorven”, reageerde Keizer, „artsen zijn vaak angstig om je goede palliatie te geven.”

Gesticht, maar niet gerustgesteld, ging ik naar huis waar ik een vriend van mijn leeftijd aantrof – onheil kent vele gedaanten – die mij vertelde dat hij al een poos geleden bij de notaris was geweest om een levenstestament op te stellen. „Dat is geregeld”, zei hij voldaan. Hij bezag me met goed bedwongen mededogen, toen ik bekende dat ik me tot dusver niet te veel met de eigen dood had willen bezighouden.

Je kon immers ook te vroeg zijn. En ik wees hem op de Australisch-Engelse programmamaker en dichter Clive James, die in september 2014 publiekelijk voorspelde dat hij zeer binnenkort zou sterven omdat hij al drie jaar aan leukemie leed. Hij schreef er het gedicht Japanese Maple over (dat ik destijds op deze plek vertaalde), waarin hij voorzag dat het zijn laatste herfst zou worden.

‘Helaas’, James leeft nog steeds! Hij vindt het vervelend voor zijn ergste critici in Australië, die hem altijd al liever dood hebben gewild.

In een recente column constateert hij dat dit jaar nieuwe chemotherapeutische medicatie heeft geholpen en „me in verlegenheid brengt omdat ik nog steeds leef”. De meeste tijd brengt hij door met het kijken naar tv-series als Game of Thrones en The West Wing. „[…] als je oud bent en bijna dood en je zit naar Game of Thrones te kijken, moet je jezelf afvragen: Wat is leven? Waar leef je voor? Waarom wacht ik tot Sean Bean [acteur] geëxecuteerd wordt? Wat is hier aan de hand? […] Ik weet het niet. Het is gewoon prettig om er met iedereen over te kunnen praten.”

Dit brengt mij terug bij Bert Keizer, ditmaal vooral de filosoof, die op die avond in de Rode Hoed op een vraag naar de zin van het leven kortweg zei: „Voortplanting.”