Beste mensen die zichzelf wit noemen, en beste anderen,

Gaan we de hakken in het zand zetten, vraagt Zihni Özdil, of leren we iets van het boek ‘Between the world and me’?

Illustraties Ruben L. Oppenheimer

Komende zaterdag vindt de jaarlijkse Sinterklaasintocht plaats, dit keer in Meppel. Voor velen is dat een feestelijk gebeuren. Voor anderen is het een onaangename confrontatie met onze Hollandse blackface-traditie, Zwarte Piet.

Een landelijke discussie over de erfenissen van ons koloniale verleden – zoals Zwarte Piet – is op gang gekomen en de vraag wat Nederlanderschap betekent ligt enigszins op tafel, mede dankzij antiracisme-activisten. Tegelijkertijd lijkt het er inmiddels op dat activisme an sich tot doel is geworden. Zonder iets om tegenaan te schoppen is er geen levensdoel meer.

We staan op een kruispunt: gaan we met z’n allen verder werken aan een open en inclusief debat? Of gaan we de hakken verder in het zand zetten? Dat laatste lijkt helaas de trend te worden. De ene kant blijft Nederlanders van kleur diskwalificeren vanwege hun vermeende ‘slachtofferrol’ en de andere kant diskwalificeert met modieus jargon witte mensen, zelfs antiracisten, puur vanwege hun witte huid.

Daarom komt de Nederlandse vertaling van Ta-Nehisi Coates’ Between the world and me (Tussen de wereld en mij, Amsterdam University Press, verschijnt op 18 november) op een perfect moment.

Het boek gaat over Nederland. Alles wat de Amerikaanse schrijver en journalist beschrijft in Tussen de wereld en mij heeft ook betrekking op ons land, met dien verstande dat Coates voortborduurt op een lange traditie van schrijvers van kleur die de Amerikaanse cultuur kritisch hebben doorgelicht. In Nederland hebben wij dat soort mensen lange tijd genegeerd, want ‘vinger wijzen’ en ‘een slachtofferrol aannemen’ vinden we doodzonden.

Het is een beetje wrang

Het is daarom een beetje wrang om te zien hoe Afro-Amerikaanse auteurs zoveel waardering krijgen in Nederland. De populariteit van Coates – die onder andere een pleidooi voor herstelbetalingen voor slavernij hield in het Amerikaanse kwaliteitsmagazine The Atlantic – in de spreekwoordelijke grachtengordel van Nederland is eigenlijk cynisch. Nederlandse intellectuelen van kleur die wijzen op dezelfde thema’s in ons land krijgen niet zelden de rode kaart.

Wat Tussen de wereld en mij bijzonder lezenswaardig maakt is de stijl. Coates heeft zijn boodschap verpakt als een autobiografische brief aan zijn zoon. Op briljante wijze neemt hij zo de lezer mee in zijn persoonlijke ervaringen, waardoor structurele ongelijkheid in de Verenigde Staten tastbaar wordt.

Coates’ woorden zijn keihard – hij is in topvorm aan het ‘vingerwijzen’ - maar landen toch comfortabel. Zo heeft hij het steeds – naar James Baldwin - over ‘de mensen die zichzelf wit noemen’. Met deze simpele doch krachtige stijlfiguur ontbloot hij in één begrijpelijke klap de constructie van witheid.

In Nederland hebben we mensen die zichzelf ‘blank’ of ‘autochtoon’ noemen en anderen ‘allochtoon’. Dat zijn kwalificaties die zelfs verder gaan dan ‘wit’ en ‘zwart’. Tijdens het lezen van Tussen de wereld en mij kunnen wij op gang gebracht worden om na te gaan denken over hoe de kwesties die Coates aansnijdt ook bestaan in ons land. En dat is vaak een moeilijke boodschap, want in Nederland denken we dat het bij ons koek en ei is, zeker in vergelijking met de Verenigde Staten.

Maar is dat wel zo? Uit een door het ministerie van Binnenlandse Zaken geïnitieerd rapport uit 2009 blijkt dat bijna 80 procent van de zogenaamd ‘niet-westers allochtone’ kinderen in Nederlandse steden op zwarte scholen zit, terwijl in Amerika minder dan 50 procent van de niet-witte kinderen op zwarte scholen zit. De Volkskrant concludeerde onlangs op basis van Eurostat-cijfers dat etnische discriminatie op de arbeidsmarkt nergens in Europa zo erg is als in Nederland.

Ook wij hebben een eeuwenlange geschiedenis van uitsluiting die vandaag de dag nog steeds onbewust doorsijpelt in onze cultuur en maatschappij.

Als een krant een Marokkaans-Nederlandse actrice die een internationale prijs wint enkel beschrijft als ‘Nederlandse’, maar een Marokkaans-Nederlandse tasjesdief enkel als ‘Marokkaan’, is er iets grondigs mis met ons concept van Nederlanderschap.

We halen rare capriolen uit

Maar omdat wij in Nederland al die tijd doen alsof we kleurenblind zijn, halen we de raarste capriolen uit om het over kleur te hebben zonder het over kleur te hebben. Toen ‘de allochtoon’ in 1971 in een nationale context werd geïntroduceerd door Hilda Verwey-Jonker legde ze uit dat ze deze terminologie koos vanwege ‘het opvallende uiterlijk – met name de huidskleur’ van de mensen die ze tot allochtoon bestempelde.

Ook zogenaamde ‘allochtonen’ hebben dit uitsluitende perspectief geïnternaliseerd. Ik hoor nog steeds veel te veel jongeren, die nota bene hier zijn geboren en getogen, zeggen: ‘Ik ben geen Nederlander’. De voorgangers van Coates hebben vanaf het begin gezegd: ‘Ik ben een Amerikaan, of je het nou leuk vindt of niet, en ik ga mijn burgerschap opeisen.’

Daarom is Tussen de wereld en mij wellicht zelfs nog belangrijker voor de Nederlandse beroepsactivisten die een sport hebben gemaakt van zo radicaal mogelijk overkomen zonder na te denken over wat de beste strategie is om ook witte landgenoten te bereiken. Coates identificeert zich in het boek niet voor niks met Malcolm X, hét toonbeeld van iemand die karakterontwikkeling heeft doorgemaakt.

In zijn vroege, radicale, periode was hij lid van de Nation of Islam, een schimmige, anti-witte sekte. Toen Malcolm X ontdekte dat alle mensen gelijk waren en strijd tegen onderdrukking geen kleur kent, stapte hij uit de Nation of Islam en begon een seculiere en steeds meer linkse koers te varen. ‘Religie hoort achter de voordeur en alle mensen zijn gelijk, ongeacht hun huidskleur’, aldus Malcolm X vlak voor hij werd vermoord.

Coates hekelt zijn eigen ‘radicale’ verleden. In zijn studententijd raakte hij onder de indruk van Afro-nationalisme en anti-witte denkers: ‘Mijn onderdrukker haten was voor mij vrijheid’. Zo las hij met eerbied over de Angolese Koningin Nzinga (1583-1663) die geen zitplaats aangeboden kreeg door de Hollandse ambassadeur, waarop ze haar macht toonde door een van haar bedienden te laten hurken en op haar te gaan zitten. Coates erkent dat hij het mis had door Nzinga te bewonderen voor deze actie. Op latere leeftijd identificeerde hij zich juist met de dienares die door Nzinga werd onderdrukt en vernederd.

Ook rekent Coates af met het hippe radicalisme van sommige Afro-Amerikanen waarin ‘westerse’ idealen worden weggewuifd omdat ze ooit door witte mannen zijn bedacht. Ook dat is een zorgelijke ontwikkeling die ik bij steeds meer jonge Nederlanders van kleur zie, vooral de beroepsactivisten. ‘Tolstoj is ook de Tolstoj van de Zulus’, legt Coates uit, ‘Tenzij je het nuttig vindt om universele eigenschappen af te scheiden naar tribaal bezit.’

The A-Team, maar dan zonder actiescènes

Het feit dat Coates, ondanks zijn keiharde kritiek op Amerika, zeer populair is bij witte Amerikanen en als een Amerikaanse auteur wordt bejubeld door collega’s, houdt ons een spiegel voor. Waarom diskwalificeren wij Nederlandse intellectuelen van kleur met dooddoeners zoals ‘slachtofferrol’ als ze willen discussiëren over onze eigen geschiedenis van uitsluiting? En omgekeerd: waarom kondigen Nederlandse auteurs van kleur bij voorbaat aan dat ze ‘geen vingers gaan wijzen’ wanneer ze zeggen door Coates geïnspireerd iets te gaan schrijven over Nederland? Dat is net zoiets als zeggen dat je een tv-serie gaat maken geïnspireerd op The A-Team, maar dan ‘zonder actiescènes’.

Tussen de wereld en mij is verplicht leesvoer, vooral rondom de intocht van Sinterklaas en zijn Zwarte Pieten. Zowel de Nederlanders die zichzelf blank noemen als de Nederlanders die claimen dat ‘helper whiteys’ alleen maar mogen luisteren omdat ze een witte huid hebben zouden het in hun schoentje moeten krijgen van de Sint.

Zihni Özdil is historicus, columnist en schrijver van Nederland mijn vaderland (De Bezige Bij)