Column

Wij waren ook vluchtelingen

Toevallig was ik gisteren in Strumica – waar Macedonië aan Griekenland grenst. Ik zag rijen touringcars vol vluchtelingen uit Syrië, Irak, Afghanistan aan de grens. Zevenduizend per dag steken er over en ze verdwijnen, tussen de bergen in herfstkleuren door, naar Servië, de volgende mijlpaal op hun reis.

In Strumica wonen de ouders van Silvana Kostadinova. Ik ken Silvana uit Utrecht. Ze emigreerde dertien jaar geleden naar Nederland, haar zus achterna. Ze hadden niets, werkten voor schoonmaakbedrijven om hun studie te kunnen betalen. Maar ze hadden meer in het verschiet dan in Macedonië. „Wij waren ook vluchtelingen”, zegt Silvana.

„Als jij weggaat, ga ik dood”, had haar moeder gezegd toen ze vertrok. Het huis zou leeg zijn, nooit meer zou er kindergekwebbel klinken.

Ik logeer een nacht in de flat van haar ouders, die in een naar bruinkool geurende mist is gehuld. Overal hangen foto’s van de twee dochters, als schoolmeisjes, als uitdagende tieners, als moeders met hun kinderen.

Op de nooit slapende tv in de huiskamer zien we nieuwsflitsen van vluchtelingen die hun land vanuit het zuiden binnentrekken om het zo snel mogelijk weer in het noorden te verlaten. Silvana’s moeder schudt haar hoofd. „Ik weet hoe het is als je alles verlaat en ook als je verlaten wordt.”

Zelf trok ze in de jaren zeventig naar Fulda in Duitsland en weefde daar bijna drie jaar in een textielfabriek katoen. „Hier was helemaal niets”, zegt ze. Silvana’s vader vertrok in 1971 naar Wenen om in een textielfabriek te werken. Toen het in het Joegoslavië van Tito economisch weer beter ging, zijn ze teruggekeerd en getrouwd.

Er valt een stilte. Moeder rookt een sigaret. „Alleen bij de koffie”, zegt ze.

De Kostadinovi’s duiden de vluchtelingen in hun eigen taal aan als begalec en als ze Duits spreken, vertalen ze dat ineens als „terroristen” – het is een vreemde colonne die door hun land trekt. Dat zij zelf ooit Macedonië hebben verlaten, dat zij zelf familie hebben in Nederland en Duitsland, wil nog niet zeggen dat zij op deze mensen lijken. „Ze worden opgejaagd in islamitische landen”, zegt moeder. „En nu brengen ze de islam hier. Het is een grote volksverhuizing door onze achtertuin. Dat beangstigt me.”

De eerste dagen dat de Syriërs en Irakezen de grens over kwamen, beschoot de Macedonische politie hen met traangas.

„We zijn te arm om ze op te vangen”, zegt moeder.

„Ik schaamde me diep”, zegt vader.

Silvana doet dit jaar in Utrecht examen als medisch laborant. „Ik ga net als de vluchtelingen die nu hun geluk in Nederland zoeken nooit meer terug.”