Cultuur

Interview

Interview

Anatoom Alice Roberts poseert als presentator van de BBC-documentaireThe Celts: Blood, Iron, and Sacrifice.

Foto BBC

Tropische apen op de noordpool

De Britse tv-wetenschapper Alice Roberts schreef over de overeenkomsten tussen mens en dier.

„Hoe hij die plank vastschroeft… Dat is toch fascinerend?” Anatoom, BBC-presentator en schrijfster Alice Roberts (42) bestudeert gefascineerd een klusjesman in de bibliotheek van het Amsterdamse Ambassade Hotel. Haar rechterpols draait ze afwisselend linksom en rechtsom, alsof ze zelf ook met een schroevendraaier aan de slag is. „Dat wij zo’n gekke roterende beweging kunnen maken met onze onderarmen, waarbij spaakbeen en ellepijp elkaar kruisen, hebben we aan onze voorouders te danken. Die hadden die beweging nodig om vanuit verschillende hoeken een tak te kunnen vastgrijpen. Wij gebruiken hem om een schroef vast te zetten.”

Die fascinatie met het menselijk lichaam is onderwerp van Roberts’ nieuwste boek Het ongelooflijke toeval van ons bestaan. Een lesje in bescheidenheid, want de Engelse wetenschapper beklemtoont in haar boek nog maar eens dat we niet de kroon op de schepping zijn, maar gewoon een van de vele zijtakken aan de tree of life. Hoofdstuk na hoofdstuk ontleedt Roberts het menselijk lichaam en laat zien dat onze ledematen en organen lang zo uniek niet zijn als we denken. We delen niet alleen eigenschappen met onze naaste verwanten, de chimpansees, maar ook met bijvoorbeeld zakpijpen, haaien en kippen.

Chimpansees, oké. Maar zakpijpen – zulke primitieve onderwaterdieren?

„Vergelijk het met een normale familiestamboom: met je broers en zussen heb je vermoedelijk meer uiterlijke kenmerken gemeen dan met verre achternichten of -neven. Maar toch zul je, als je nauwkeurig kijkt, ook met hen waarschijnlijk overeenkomsten vinden. Zo is het ook met zakpijpen. Ze hebben geen ruggengraat, geen hoofd, geen hersenen – wat dat betreft lijken ze in niets op ons. Maar zakpijpen zijn wel zogenaamde chordadieren, net als wij. En chordadieren hebben een aantal dingen met elkaar gemeen: kieuwen, staart, een oerruggengraat…”

Kieuwen? Die heb ik echt niet.

„Niet meer. Maar ooit wel – als embryo. Juist in het embryonale stadium lijken mensen verdacht veel op andere soorten, en die gelijkenis verraadt onze verre verwantschap. In de baarmoeder hebben we wel degelijk kieuwen gehad. Sterker nog: zo’n vier weken na de bevruchting lijken mensenembryo’s sprekend op haaienembryo’s, inclusief haaienhersenen en haaienhart. En in de vijfde week is er een opvallende gelijkenis met kippenembryo’s. We hebben aanvankelijk dan zelfs een dooierzak, net als in kippeneieren! Een evolutionaire echo uit het verleden, want onze verre voorouders legden eieren.”

Waarom leggen wij nu geen eieren meer?

„Omdat levend baren evolutionair gezien voordeliger bleek voor onze soort. Wanneer een embryo zich in je eigen buik bevindt, hoef je bijvoorbeeld geen nest te beschermen tegen roofdieren. Nu is er op levend baren natuurlijk ook van alles aan te merken – als je aan een kip zou vragen welke strategie superieur is, zou ze zeker weten ‘eieren leggen’ zeggen.

„Persoonlijk had ik het best prettig gevonden als wij buideldieren waren, zoals kangoeroes. Mijn zoon was ruim 9 pond bij zijn geboorte. Het was een stuk eenvoudiger geweest als hij als embryo al vanuit mijn buik naar een buidel was verhuisd. Dan was die bevalling veel minder zwaar geweest. Trouwens, dat mensenbaby’s zo groothoofdig zijn, laat zien hoe wij mensen de evolutie soms naar onze hand weten te zetten…”

Want eigenlijk is dat tegennatuurlijk, zulke grote hoofden?

„Precies. Op basis van natuurlijke selectie waren groothoofdige baby’s en vrouwen met een smal bekken al lang uitgestorven. Maar wij mensen hebben er iets op gevonden: verloskunde. Vroedvrouw is een van de oudste beroepen ter wereld. Hulp bij de bevalling verkleint de selectiedruk op brede bekkens en kleine baby’s. Met andere woorden: we hebben zelf de verloskundige onmisbaar gemaakt. Trucjes verzinnen, daar zijn wij mensen goed in.

„Overleven en voortplanten, daar gaat het om bij evolutie. Hoe doe je dat? Ten eerste door je zo goed als mogelijk aan te passen aan de omgeving. Daar zijn wij heel bedreven in geraakt. Kou, warmte, droogte, grote hoogte: mensen kunnen veel hebben, juist dankzij allerlei uitvindingen. Zelfs onder water kunnen we ademhalen. Die kieuwen zijn we al als embryo kwijtgeraakt, maar we hebben zuurstofflessen uitgevonden.”

Dus als de zeespiegel stijgt, krijgen wij niet weer vinnen?

„Ik denk het niet. Het is lastig te voorspellen, want in de afgelopen miljoenen jaren is het meerdere keren voorgekomen, beide kanten op: dat zeedieren zich tot landdieren ontwikkelden en andersom. Zelfs walvissen hebben ooit vier poten gehad. Maar over de toekomst van de mensheid durf ik geen harde uitspraken doen.

„Hoe dan ook, je kunt zeggen dat mensen wat overleven betreft heel bedreven zijn. Ik bedoel: wij zijn van origine tropische apen, maar weten ons tegenwoordig zelfs op de noordpool in leven te houden – omdat we kleding hebben uitgevonden. In die zin is het bijvoorbeeld ook onwaarschijnlijk dat we ooit weer flink behaard worden. Tenzij…” Roberts kijkt naar de bebaarde, niet onaantrekkelijke klusjesman.

Tenzij lichaamsbeharing weer extreem aantrekkelijk wordt?

„Juist. Naast aanpassing aan de omgeving is er nog een factor van belang bij evolutie: zo aantrekkelijk mogelijk te zijn voor het andere geslacht. Om te overleven hebben we dat haar niet hard nodig. Maar als lichaamsbeharing weer ontzettend sexy wordt, zullen behaardere mensen meer in trek zijn als partners, en zich meer voortplanten. Alleen een gedachte-experiment, hoor. Bij evolutie komt zoveel kijken. Eigenlijk hangt het leven aan elkaar van toevalligheden.”

Wat voor toevalligheden?

„Dat er bijna 66 miljoen jaar geleden een meteoriet insloeg bijvoorbeeld, waardoor de dino’s uitstierven en de zoogdieren de kans kregen om de vrijgekomen plaatsen in het ecosysteem te bezetten. Zonder die inslag zouden er waarschijnlijk nooit mensen zijn ontstaan. Zouden jij en ik hier nooit hebben gezeten. En onze persoonlijke levens hangen ook weer aan elkaar van toevalligheden. Als ik als zevenjarige nooit een pop-upboek over anatomie in handen had gekregen, was ik misschien nooit arts geworden.”

En als de tv niet was uitgevonden, had u niet voor de BBC gewerkt…

„Dat klinkt als een dooddoener, maar bewegend beeld heeft de wetenschapscommunicatie echt veranderd. Zeker ook voor de anatomie. Nu kan ik een lezing geven terwijl naast mij een full body MRI-scan van mijn eigen lichaam te zien is. Dat spreekt tot de verbeelding! We kunnen ons lichaam als het ware binnenstebuiten keren zonder mes. Daardoor wordt de wetenschap toegankelijker.”