Levenslang mag recht op hoop niet ontnemen

Er is niets op tegen als nog eens neutraal en objectief bekeken wordt of het tot zijn dood in de cel houden van een gevangene wel gepast is, betoogt

Ward Ferdinandusse.

illustratie dario castillejos

Vrijdag wordt in Amsterdam een congres gehouden over de levenslange gevangenisstraf. Later deze maand beslist de rechtbank Assen of twee broers van begin dertig levenslange gevangenisstraffen krijgen opgelegd voor drie moorden, zoals het Openbaar Ministerie heeft geëist. In Amerika gaat het Hooggerechtshof beoordelen of het opleggen van levenslang aan minderjarige daders zonder mogelijkheid van vervroegde vrijlating wel in overeenstemming is met de Amerikaanse grondwet.

Over levenslang is veel te doen de laatste jaren. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft jaren geleden al geoordeeld dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf in strijd is met de mensenrechten als ieder perspectief op vrijlating ontbreekt. Ook iemand die levenslang wordt opgesloten moet het vooruitzicht hebben dat op enig moment beoordeeld wordt of er nog goede redenen zijn om hem vast te houden. Let wel: het Europees Hof verbiedt niet het opleggen van een levenslange gevangenisstraf, en zegt ook niet dat een levenslange gevangenisstraf nooit daadwerkelijk levenslang mag duren. Het Hof zegt alleen dat je geen mensen voor de rest van hun leven mag opsluiten zonder daarna ooit nog te toetsen of, vele jaren later, de omstandigheden zo gewijzigd zijn dat vervroegde vrijlating geboden is. Rechter Power-Forde van het Europees Hof noemt dat in een Separate Opinion bij het Vinter-arrest het recht op hoop.

De rechters van het Europees Hof staan in dat oordeel niet alleen. Kamerlid Jeroen Recourt pleitte het afgelopen jaar voor een systeem waarin na vijfentwintig jaar getoetst wordt of een levenslang veroordeelde opgesloten moet blijven. Dat een politicus zich over zo’n lastig en politiek impopulair vraagstuk uitspreekt, vind ik zeer te prijzen. Dat zien we – zacht gezegd – niet iedere dag meer in dit land. In Nederland en daarbuiten hebben verschillende rechters en wetenschappers zich eerder al op soortgelijke wijze uitgesproken voor een periodieke toetsing door de rechter na verloop van enige tijd. Onze Hoge Raad heeft bezwaren tegen de wijze waarop we in Nederland met levenslange straffen omgaan verschillende malen van de hand gewezen, maar daarbij wel aangegeven de praktijk kritisch te zullen blijven beoordelen. De regering heeft inmiddels aangekondigd de manier waarop levenslang in Nederland ten uitvoer wordt gelegd ‘nader te bezien’.

Het recht op hoop spreekt mij aan. Ik heb zelf gewerkt aan de strafvervolging van een man die in de Rwandese genocide vele vreselijke moorden heeft gepleegd, onder meer op jonge kinderen. Mijn collega’s en ik hebben met overtuiging een levenslange gevangenisstraf geëist, en die heeft de rechter uiteindelijk ook opgelegd. Gezien de ernst en de omvang van de misdrijven die hij heeft gepleegd was dat – zo vind ik ook nu nog – de enige passende straf. Maar ik heb er niets op tegen als over vele jaren nog eens neutraal en objectief bekeken wordt of het daadwerkelijk tot zijn dood in de gevangenis houden van deze man wel gepast is. Sterker nog, ik vind het een geruststellende gedachte als dat gebeurt.

Gevangenisstraf is nooit een goede oplossing, alleen in sommige gevallen de minst slechte. Naarmate de tijd verstrijkt en de dader ouder wordt, kan onze inschatting daarvan veranderen. En hoe jonger de dader is die een levenslange gevangenisstraf krijgt, hoe groter de kans dat op enig moment die dag aanbreekt.

Er zijn aansprekende voorbeelden van vergeving die een krachtig pleidooi vormen voor het recht op hoop. Het verhaal bijvoorbeeld, over bijeenkomsten van ouders van vermoorde kinderen met daders in Amerika. Naar een foto waarop een vrouw genaamd Mary Johnson poseert met de man die haar zoon vermoordde, kan ik lang kijken. Lange tijd wilde zij hem de rest van zijn leven opgesloten zien. Nu woont ze naast hem en staat ze lachend met hem op de foto. Even inspirerend zijn de foto’s die Pieter Hugo maakte van gezamenlijk poserende daders en slachtoffers van de Rwandese genocide.

Maar er is ook een andere kant. Vergeving door nabestaanden kan niet een eis of norm zijn. Er is niets vreemds aan woede en haat bij slachtoffers en nabestaanden van de ergste misdrijven. En nabestaanden die niet vergeven, verdienen net zo zeer ons begrip en respect als zij die dat wel doen. Nabestaanden hebben, zoals het cliché zegt, daadwerkelijk levenslang gekregen zonder mogelijkheid van vervroegde vrijlating. Wie het ledenblad van de Vereniging Ouders van een Vermoord Kind leest, met daarin ook verhalen over kinderen die vele jaren geleden zijn vermoord, krijgt enig besef wat dat betekent. En daarmee ook wat het kan betekenen voor nabestaanden om na verloop van tijd te maken te krijgen met de periodieke toetsing van levenslange gevangenisstraffen van daders.

Dat kan geen reden zijn om altijd de opvattingen van nabestaanden te volgen. Dat zou tot willekeur leiden. Het betekent wel dat we het recht op hoop zo goed mogelijk in balans moeten brengen met de belangen van slachtoffers en nabestaanden. Daarbij zou de vraag welk stelsel het meest rechtvaardig en menselijk is, alle belangen afgewogen, belangrijker moeten zijn dan de vraag of ons huidige stelsel voldoet aan de eisen van het Europese Hof.