Je wordt beroerd van de haat die van de bladzijden springt

Wat kan het leven toch grauw, gruwelijk en onbarmhartig zijn. Dat was het eerste wat ik dacht toen ik Szilárd Borbély’s roman De bezitlozen uit had. Het boek speelt zich af aan het begin van de jaren zeventig in een dorp in Hongarije, een land dat na 1945 door de Russen werd leeggeroofd als straf voor zijn collaboratie met de nazi’s. Moskou’s communistische zetbazen zijn er aan de macht. Iedereen die een bedrijf of een lap grond bezat, is onteigend en tot tweederangs burger verklaard. Tot groot vermaak van het rauwe volk, dat niet nalaat voormalige ‘kapitalisten’ te vernederen. De rode draad in De bezitlozen is de haat jegens iedereen die het vroeger beter had. Door de korte, sobere zinnen van Borbély springt die haat soms zo sterk van de bladzijden, dat je er beroerd van wordt.

Borbély’s verteller is een puber, die opgroeit in een wereld vol modder en stront. Zijn vader, een voormalige landeigenaar die nu op een collectieve boerderij werkt, is aan de drank, zijn moeder heeft te lijden onder diens cholerische buien en wil voortdurend zelfmoord plegen, wat de verteller telkens weet te voorkomen.

Veel gebeurt er niet in deze roman. En toch blijf je tot aan de laatste bladzijde gefascineerd doorlezen, juist omdat Borbély, die na een depressie in 2014 zelfmoord pleegde, laat zien hoe het communisme het individu wist te vernietigen en de meest primitieve instincten in de mens naar boven liet komen. Ook weet hij heel goed de Tsjechoviaanse lethargie te verbeelden die je in het communistische Oost-Europa van vóór 1989 overal tegenkwam. Dat laatste wordt indringend onderstreept bij de plotselinge dood van het kleine broertje: ‘Toen de Kleine wegging, nam hij slechts een naam mee. Zijn eigen naam.’ Alsof dat broertje blij mocht zijn dat hij in Borbély’s wereld niet volwassen zou worden.