In de ban van Bulgarije in de oorlog

Een labyrint vol verhalen. Zo kun je de roman De wetten van de melancholie van Georgi Gospodinov (1968) heel goed typeren. In dat labyrint is de verteller op zoek naar de geschiedenis van zowel zijn excentrieke familie als van zijn geboorteland Bulgarije. Slaat hij linksaf, dan komt hij tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn grootmoeder of zijn vader – een vegetarische veearts – tegen; gaat hij rechtsaf, dan belandt hij in een psychiatrische inrichting of in het benauwende communistische wereldje van zijn jeugd, waarin alles dat aan vroegere tijden herinnert verboden is. Gospodinov beschrijft het poëtisch, met veel gevoel voor humor en tragiek.

Dat laatste wordt versterkt doordat de verteller in zijn jeugd een ‘empaat’ was, iemand die zich in alles en iedereen weet te verplaatsen. Die eigenschap zorgt ervoor dat hij tijdens zijn tocht door het labyrint in de huid van zijn familieleden kan kruipen. Zo ziet hij in 1925 op de kermis een minotaurus in een kooi zitten. Door zich in dat wezen met de kop en de staart van een stier en het lichaam van een man te verplaatsen lijdt hij met hem mee. Hij is anders dan zijn omgeving en daarom voelt hij zich lelijk.

Gospodinov springt van het verleden naar het heden en weer terug, en wisselt intussen voortdurend van identiteit. Op het eerste gezicht is dat verwarrend, maar zodra je doorkrijgt wat hij er mee beoogt, zie je de rode draad in zijn verhaal en raak je in de ban van dit merkwaardige, maar mooie en vooral originele boek, dat geen seconde verveelt en tot nadenken aanzet. Dat gebeurt met name waar Gospodinov ons verwende leventje in het Westen spiegelt aan het postcommunistische Oost-Europa, dat nog altijd door zijn geschiedenis wordt geplaagd. Op die momenten is hij een ideale conservator van de tijd, die het verleden wil bewaren door de levensverhalen van anderen op te kopen.